Geachte Broeder in Christus Benedictus,

Ik huiverde af en toe vanwege de hoge christologische vlucht die U in sommige
hoofdstukken neemt. In het licht van mijn tastend, zoekend en aarzelend
geloof vond ik die bladzijden té confronterend en in elk geval voor mij
te hoog ingezet.
Ik hoop dat ik de mystieke eenheid met de Christus,
de Zoon van God die 'één in wezen is met de Vader', eens, ooit, in de rust
die soms over mensen neerdaalt in hun laatste levensjaren, mag ervaren.
Nu is zo’n mystieke relatie mij nog te overweldigend, te groots.
De veruit zwakste (bijna schreef ik ‘zwartste’)
bladzijde van uw boek (zeker vanuit het standpunt van de oecumene
bekeken) is die waarop U een zijsprongetje maakt en commentaar geeft bij
de zaligspreking van mensen die zoeken naar de gerechtigheid. U noemt ze
mensen met een innerlijke gevoeligheid, die hen in staat stelt de
tekentjes die God de wereld inzendt te horen en te zien en die zo de
dictatuur van de gewoonte
doorbreken. U noemt Zacharias en Elisabeth, Maria en
Jozef, Simeon en Anna, die met hun geduldig wachten en hun deemoedige
vroomheid de weg van de Heer bereidden. U noemt ook de twaalf apostelen,
die temidden van hun werk van alledag hun hart open hielden voor 'de roep van het Grotere'. Ook Paulus noemt U, met zijn passie voor
gerechtigheid. En dan haalt U de uitspraak aan van Edith Stein: "Wie
verstandig en gepassioneerd de waarheid zoekt, is naar Christus onderweg". Maar dan weidt U,
uitgaande van het evangelie, uit over het heil van de mensen die
Christus niet kennen. Volgens de huidige theorie, schrijft U met enige
ironie, moet iedereen maar dié godsdienst – of het atheïsme – beleven,
waarin hij door zijn milieu terechtkomt, want op die manier zal hij het
heil vinden. Om die theorie te weerleggen grijpt U nogal gemakkelijk
terug naar telkens één van de zwakke plekken van die godsdiensten of van
het atheïsme: "Zal iemand zalig worden en door God als rechtvaardig
erkend omdat hij de plichten van de bloedwraak gewetensvol is nagekomen?
Omdat hij zich krachtig voor en in de ‘Heilige Oorlog’ heeft ingezet? Of
omdat hij bepaalde dierenoffers gebracht heeft? Of omdat hij rituele
wassingen verricht heeft en andere observanties nageleefd? Omdat hij van
zijn opvattingen en wensen gewetensovertuigingen gemaakt heeft en op die
manier zichzelf tot maatstaf heeft gemaakt? Neen, God verlangt het
tegendeel: innerlijk ontwaken voor Zijn stille, goede raad, die in ons
zit en die ons uit onze gewoontes bevrijdt en ons op weg zet naar de
waarheid. Mensen die ‘hongeren en dorsten naar de gerechtigheid’: dat is
de weg die open staat voor iedereen; het is de weg die eindigt bij Jezus
Christus".
Uit de inhoud en de bedoeling van uw boek begrijp ik uw
gelovige these, Heilige Vader, maar geef toe: de argumenten die U geeft
zijn toch wat al té kort door de bocht! Deze passage verdient het
uitvoeriger te worden uitgewerkt en de godsdiensten – of het atheïsme –
verdienen beter. Zoals U ze nu voorstelt, zijn het alleen maar
karikaturen, zoals je er ook van het christendom makkelijk een aantal
kunt maken.
Zelf zou ik in een dialoog met andere godsdiensten
eerder uitgaan van de spreuk die de huiskamer van de Noordamerikaanse
padres in Livingston (een haventje in het Guatemalteekse
Q’eq’chi-Mayagebied) siert: "Wie in contact komt met andere culturen,
doet liefst zijn schoenen uit, want hij staat op heilige grond. Wie geen
rekening houdt met de religieuze gevoelens van die mensen, vertrapt hun
heiligste dromen. En het is nog erger, als hij ook nog vergeet of zelfs
niet gelooft dat God daar al eerder was."
Ook uw opvatting over het lijden en de beproeving
vond ik gedateerd, vreemd en zelfs vervreemdend. Hoe kan een raad zoals
die van de H. Cyprianus zin en troost schenken aan lijdende mensen uit
de 21ste eeuw? Het lijden zien als een middel dat door God
wordt gebruikt om onze hoogmoed te temperen of om Hem eer te betuigen…?!
Wat hebben lijdende mensen eraan dat Teresia van Lisieux of de
woestijnkluizenaar Antonius een bijzondere relatie hadden tot de
lijdende Christus, die onze beproevingen doorleefde? Waarom zouden die
heiligen hun pijn voor ons moeten dragen om ons zo te laten komen tot
hem, die al onze lasten op zich heeft genomen?
Maar laat ik eindigen in schoonheid. In uw commentaar op de parabel van
de Goede Herder schrijft U dat de mens leeft van de waarheid en van het
feit dat hij door de Waarheid bemind wordt. "Hij heeft God nodig. Die
komt hem nabij, legt hem uit wat de zin van het leven is en toont hem de
weg des levens De mens heeft brood nodig, voedsel voor zijn lichaam,
maar hij heeft ten diepste vooral het Woord, de Liefde, God zelf nodig.
Wie hem dat geeft, geeft hem ‘leven in volheid’. En op die manier maakt
hij ook de krachten vrij waarmee hij de aarde zinvol vorm kan geven en
waarmee hij voor zichzelf en voor de anderen dié dingen kan vinden, die
wij slechts kunnen hebben als wij leven met elkaar". Jezus is volgens U
tegelijk herder en voedsel. Door zichzelf te geven schenkt hij leven en
ís hij leven.
Ik bid, samen met U, dat onze nog geschonden wereld met zijn massa’s
verworpenen, maar ook met zijn talrijke mensen van goede wil (christen
of niet) ooit moge worden: een plek van rust en vrede, een tijd van
geborgenheid en verbondenheid, een eeuwigheid van liefde en trouw en van
intense vreugde. Gods stad van vrede. Ik vertrouw daarbij op de tekst
van Paulus, die mij al sinds mijn professie begeleidt en moed geeft:
"Wij hebben onze hoop gesteld op de levende God, die een redder is voor
alle mensen" (1Timoteüs 4,10).
Jos Smeets o.p.