Dominicanen Leuven Zondagspreken
  6 augustus Rechtstreeks afdrukken
 

Lezingen:

Romeinenbrief 8,18-24
Lucas 24,13-32

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Jubileumviering


Op 6 augustus is in de kapel van de dominicanen het gouden priesterjubileum van B.J. De Clercq gevierd. Voor deze viering heeft de jubilaris twee aangepaste Schriftteksten gekozen: een passage uit de brief aan de Romeinen en het evangelie van de Emmaüsgangers.

Verwelkoming

'Evenals een moede hinde naar het klare water smacht.' Het eerste vers van het lied dat we hebben gezongen. Het is om moe van te worden. Bijna 60 jaar bij de dominicanen, 50 jaar priesterleven, nogal een keer in weer en wind, meer dan 30 jaar in 2 gezinsgroepen lief en leed gedeeld. Je zou moe worden van minder. U zult zeggen: en wij dan, hebben wij niet het recht om moe te zijn? Goed, we zijn allemaal een beetje moe. Maar het lied dat we gezongen hebben is geen klaaglied. Bij een jubileum kijken we achterom, in dankbaarheid. We zijn dankbaar, u en ik, omdat het ons gegund werd samen moe te mogen worden. Maar we kijken ook vooruit. We zijn het niet moe. We willen, en we hopen, het nog lang vol te houden, door dik en dun, in wel en wee. We blijven het zingen, het lied van ons diepste verlangen. Evenals een moede hinde schreeuwt mijn ziel om God te vinden die ik ademloos verwacht. Ja ik zoek zijn aangezicht, God van leven, God van licht.


De tekst uit de Romeinenbrief heb ik gekozen omdat op de liturgische kalender vandaag het feest van de transfiguratie, de gedaanteverandering van Jezus staat. U weet wel: toen Jezus met drie van zijn leerlingen op een berg was gegaan om er te bidden, kregen de leerlingen een visioen. Het gezicht van Jezus straalde, zijn kleren waren witter dan sneeuw en Mozes en Elia stonden bij hem. Petrus was verrukt. Wat is het hier goed, zei hij, laten we hier 3 tenten opslaan. Maar dat was domme praat. In een visioen kun je niet wonen. Hun visioen was ook vlug voorbij. Toen ze de berg afdaalden, zei Jezus: je moet niet gaan voortvertellen wat je gezien hebt. Ik zal eerst nog veel moeten lijden, en jullie ook, en een vreselijke dood sterven. Maar ik zal opstaan uit de dood.

Overvallen u ook soms nachtmerries als u droomt? U bent dan blij als u wakker schiet. Maar mij gebeurt het ook dat ik een heerlijk visioen droom. Als ik dan wakker wordt, voel ik spijt dat het maar een droom was. Paulus beschrijft geen nachtmerrie als hij schrijft dat de hele schepping lijdt en zucht en kreunt als een vrouw in barensweeën. Het is harde werkelijkheid. Maar hij beschrijft ook het visioen van de heerlijkheid die haar, en ook ons, te wachten staat als we zullen bevrijd worden uit de slavernij van de vergankelijkheid. Dat is het visioen van onze christelijke hoop, de hoop waarin we willen leven en sterven. Er is nogal wat onkruid opgeschoten tussen de tarwe van ons leven. Als we onze voltooiing zullen bereiken, wordt al dat onkruid weggezuiverd en bloeit de tarwe voor eeuwig open in Gods heerlijkheid waarin we zullen delen. Zoals Jezus op de berg Tabor worden we dan getransfigureerd.

Niemand van mijn oudste familie zal zich verwonderen over het evangelie dat ik heb gekozen. In onze familie hebben de Emmaüsgangers een bijzondere plaats. We hadden een oom die pastoor was en die zijn hele priesterleven lang alle mogelijke soorten afbeeldingen van de Emmaüsgangers heeft verzameld. Waarom eigenlijk heeft hij bij mijn weten nooit gezegd. Waarschijnlijk omdat hij zich in hen zeer goed herkende. Veel van die afbeeldingen hebben nu een plaats gekregen ergens aan een muur in het huis van mijn broers en mijn zussen. Maar dat is niet de enige reden waarom ik dit evangelie heb gekozen. Het past goed in een jubileumviering.

In 1958 was het bij ons nog niet druk op de weg naar Emmaüs, maar sinds zo'n jaar of 20, 30 is het hoe langer hoe drukker geworden. Er lopen veel mensen zoals de twee leerlingen die na de dood van Jezus Jeruzalem verlieten. Ze trekken weg uit de kerk, ze laten de deur achter het verleden van hun kerkpraktijk en misschien ook hun geloof dichtvallen en gaan de weg op naar hun Emmaüs. Er woont nu meer en meer volk ergens in een Emmaüs. Daarmee bedoel ik mensen die de kerk hebben verlaten omdat ze er niet meer vonden wat ze verwachten, geen antwoord op de vragen die hen bekommeren. Mensen die gekwetst wegblijven, gekwetst door dingen die ze hebben ondervonden of zien gebeuren. Ook veel mensen die inzake geloof en godsdienst onverschillig zijn geworden.

Maar we mogen het niet te somber inzien. Als we goed kijken, zien we ook mensen zoals de Emmaüsgangers die rechtsomkeer maakten, terug naar Jeruzalem. Er zijn er misschien die op de weg van hun uittocht een barmhartige Samaritaan ontmoet hebben, iemand die hun kwetsuren heeft verzorgd en geheeld. Er zijn er zeker die in hun Emmaüs het gemis van bevredigende antwoorden hebben gevoeld op de vragen naar de zin van hun leven en willen terugkeren naar oude zekerheden. Er keren mensen terug die weer geloof, vertrouwen en moed hebben gekregen dankzij iemand in wie ze Gods liefde hebben herkend.

Het verhaal van de Emmaüsgangers is een reisverhaal. We kunnen het lezen als een verhaal van onze reis door het leven. Misschien hebben wij ook wel eens de neiging gevoeld, misschien zelfs meer dan de neiging, om zoals Kleopas en zijn metgezel weg te trekken, omdat we kerkmoe waren geworden, omdat we te weinig herkenden van ons oude vertrouwde geloof, of omgekeerd, te weinig van de vernieuwingen die we wensten en hoopten. Waarschijnlijk hebben twijfel en teleurstelling soms de bovenhand gekregen op de zekerheden van het geloof. Maar we hebben ons opgetrokken aan elkaar, aan het voorbeeld van mensen die ons een aantrekkelijk geloof hebben voorgeleefd. Er is veel waarvoor we elkaar moeten danken. We hebben nog een flink stuk leven voor de boeg, althans dat hoop ik voor u en voor mij. Ons geloof verzekert ons dat de dood niet het einde is. Laten we ervoor bidden dat we mogen blijven geloven dat we tot nieuw leven in Gods heerlijkheid zullen geboren worden. Maar mijn voornaamste gebed is vandaag een dankgebed.
 

 
   Terug