Gelovig?
|
"Ik adem", is dan ook mijn lievelingsreactie op die
vraag. Als ik het een beetje serieus weet te brengen, hoor ik meteen
de adem van mijn nieuwe kennis stokken. Oh, die is er niet zo goed
aan toe, lees ik dan in de verschrikte blik. Het kind is al
blij dat ze de dag doorkomt. Als ik daarentegen mijn antwoord met
een fijn glimlachje weggeef, denkt men dat ik iets zéér
geheimzinnigs probeer te versluieren. Iets adembenemends. Eerlijk gezegd vlucht ik soms in zo'n existentieel antwoord, omdat
ik op die manier de rest van het gesprek hoop te vermijden. Maar aan
het eind van het liedje wil ik toch een tegemoetkomende
gesprekspartner zijn. Dus krijgt de vragensteller vriendelijk te horen
dat ik als godsdienstleerkracht of ziekenhuispastor werk. "Ah, godsdienstieerkracht; ach zo, ziekenhuispastor. Interessant. Jij bent dus gelovig?" Daar gaan we. Ik mag het dus weer uitleggen. Dat wat niet uit te leggen is. Dat wat door mijn vingers vloeit als stromend water. Dat wat zo genesteld en verweven zit in mezelf. Dat wat samen met mij ouder wordt, verandert, rimpels krijgt, bedachtzamer wordt, meer verinnerlijkt. Dat wat verwarrend en mysterieus blijft. Dat waarvan ik niet weet wat het is, of ik het nog wel ben en of dat er zoveel toe doet. Gelovig. De Grote God is kleiner geworden, de Hoge God is dichterbij gekomen. God is beeldlozer geworden, terwijl ik juist zoveel meer goddelijke beelden zie. Hij is niets-zeggender geworden, terwijl ik zoveel goddelijke woorden opvang. Hij is Leger geworden, terwijl de volheid van het Leven me soms overrompelt. Hij is machtelozer geworden, terwijl er zoveel kracht te ervaren is. Hij is zoveel minder hemels, terwijl er zoveel goddelijks op aarde is. Misschien is God niet meer de juiste naam. En Hij al zeker niet. Het goddelijke past beter, het onzegbare, het Leven zelf... God is een werkwoord geworden. God brengt in beweging, God verbindt, God brengt stilte of onrust, God lacht, God ruist, God raakt je, God schreeuwt je toe vanuit een ander mens, vloekt om zoveel onrecht. En uiteindelijk is God telkens het Leven dat onstuitbaar doorbreekt. Het Leven zelf dat aan mijn vel zit. Het volle Leven waar iedereen recht op heeft. Ja, ik weet dat het vaag is. Ik weet dat het verwarrend en mysterieus klinkt. Ik weet dat het alles en niets omvat. Ik weet het vol tegenstrijdigheden zit. Ik weet dat je me volledig kunt zetten in een discussie over geloof. Ik weet dat je dit evengoed niet-geloven kunt noemen. Dus adem ik maar. In en uit. Meestal adem ik onbewust leven in. Soms adem ik bewust het Leven in. En heel soms ademt het in mij. Het onzegbare. Ann Verscuren Bron: TGL 2010/4, p. 94-96 |