Dominicanen Leuven Zondagspreken
   21  februari  - eerste vastenzondag Afdrukken
 

 

Lezingen:

Deuteronomium
Lucas 4,1-13

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Woestijnbelevenissen


Goede vrienden,

Je moet niet in de duivel geloven om te weten dat je gevoelig bent voor de bekoorlijkheid van het kwaad. Je ondervindt het iedere dag, en wie geeft er soms niet aan toe? Zelfs Jezus, mens zoals wij, heeft het ondervonden. Maar hij gaf er niet aan toe. Hij heeft ertegen gevochten en het overwonnen. De duivel moest het opgeven.

Wat Jezus in de woestijn precies heeft gedaan en ondervonden, kan niemand weten. Hij was er helemaal alleen. Lucas heeft er een stichtend verhaal van gemaakt, om de lezers van zijn evangelie te beleren. Hoe aantrekkelijk de bekoring - van de macht, van de hoogmoed en de eigendunk - ook mag zijn, laat je niet vangen!

Dat Jezus uitgerekend veertig dagen in de woestijn is gebleven, verwijst natuurlijk naar de woestijntocht van het joodse volk die veertig jaar heeft geduurd. Er staan in de bijbel nog andere verhalen over ingrijpende woestijnervaringen. Het zijn stichtingsverhalen. Over de aartsvader Jakob, eenzaam op de vlucht als iemand die geen thuis meer heeft, met slechts een steen als hoofdkussen om op te slapen. Als hij uit zijn droom ontwaakt, wéét hij het met een volstrekte zekerheid: ik ben niet alleen, hier is God, maar ik wist het niet. Over Mozes die is moeten wegvluchten. De verschroeiende woestijnhitte zet een braamstruik in brand, maar die brandt niet op. Mozes komt tot het besef: dit is een heilige plaats, hier kan men God ontmoeten. En Jahwe, de God van zijn vaderen, roept hem. Hij wordt belast met een ongelooflijk zware opdracht. Maar hij krijgt een belofte: de naam zelf van God. 'Ik ben die bij u is'.

Dit zijn fundamentele voorbeelden van hoe het mensen kan vergaan met God. Aan het begin van de vasten krijgen ze een bijzondere betekenis. Hun boodschap is: wij kunnen God meer beleven dan we dagelijks menen te ervaren.

Wie of wat God voor ons werkelijk betekent, kan ons openbaar worden en tot ons doordringen telkens wanneer we tot het besef komen dat de wereld waarin we ons bewegen niet plat is. Wanneer we iets ondervinden of vermoeden van de hoogte of de diepte die we meestal niet zien omdat we er niet op letten. Dat is de Jakob-ervaring: hier is God, en ik wist het niet. Nu weet ik het, God is op mij toegetreden. Hoogte of diepte kunnen voor ons opengaan als we tegen de grenzen van onze beperktheid stuiten. Als ons iets kostbaars te beurt valt dat we zelf niet hunnen maken of kopen; iets dat we niet verdienen.

Zulke hoogte of diepte kunnen we alleen gewaarworden als de wereld van alles wat ons omringt en ons leven vult, leeg wordt, als we alle bijkomstigheden wegruimen. Als we ze achter ons laten, of als ze worden weggerukt. Als we ons welbewust keren of als we gedwongen worden, tegen wil en dank, ons te keren tot het weinige dat werkelijk essentieel is.

Een woestijn waar het leeg is en stil kunnen we opzoeken. Daarvoor hoeven we meestal niet eens zo ver weg te gaan, maar het zal ons wel de nodige inspanning kosten. Maar met ieder van ons zal het al wel gebeurd zijn dat hem of haar de woestijn van leegte en stilte overvalt.

Tegenslagen, ontgoocheling en teleurstelling, ernstige ziekte en lijden drijven ons vaker dan ons lief is naar de woestijn. We staan voor de diepte van een gapende afgrond of voor de hoogte van een steile blinde muur. Dan schiet er niets anders over dan te vechten. We moeten vechten, zoals Jezus tegen de duivelse bekoringen, vechten voor ons geloof, misschien in hevige woede tegen God omdat we ons verraden en losgelaten voelen. We moeten durven schreeuwen om hulp van medemensen en hopen dat we het kunnen uithouden.

Alle bijbelse verhalen over woestijnbelevenissen zijn roepingsverhalen. Dat is ook ons eigen Ievensverhaal. Laten we het elkaar toewensen en ervoor bidden dat niemand van ons zijn of haar roeping ontvlucht. Elk jaar opnieuw is de vasten een tijd die een oproep inhoudt om ons te bekeren. Daarvoor moeten we ons niet noodzakelijk onderdompelen in boetedoening. We moeten niet in zak en as lopen. Het voornaamste is dat we ons durven keren naar de hoogte en de diepte van ons bestaan. Daar vinden we een antwoord op de vraag van het lied dat we gezongen hebben: "Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God, wij willen U zien." Dat kan ons de vreugde te beurt vallen die ons blij doet zeggen en zingen: ik heb iets van de genadige God mogen beleven.

B.J. De Clercq o.p.

 
   Terug