| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 21 februari - eerste vastenzondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Goede vrienden,
Je moet niet in de duivel geloven om te weten dat je
gevoelig bent voor de bekoorlijkheid van het kwaad. Je ondervindt het
iedere dag, en wie geeft er soms niet aan toe? Zelfs Jezus, mens zoals
wij, heeft het ondervonden. Maar hij gaf er niet aan toe. Hij heeft
ertegen gevochten en het overwonnen. De duivel moest het opgeven.
Wat Jezus in de woestijn precies heeft gedaan en
ondervonden, kan niemand weten. Hij was er helemaal alleen. Lucas heeft er
een stichtend verhaal van gemaakt, om de lezers van zijn evangelie te
beleren. Hoe aantrekkelijk de bekoring - van de macht, van de hoogmoed en
de eigendunk - ook mag zijn, laat je niet vangen!
Dat Jezus uitgerekend veertig dagen in de woestijn is
gebleven, verwijst natuurlijk naar de woestijntocht van het joodse volk
die veertig jaar heeft geduurd. Er staan in de bijbel nog andere verhalen
over ingrijpende woestijnervaringen. Het zijn stichtingsverhalen. Over de
aartsvader Jakob, eenzaam op de vlucht als iemand die geen thuis meer
heeft, met slechts een steen als hoofdkussen om op te slapen. Als hij uit
zijn droom ontwaakt, wéét hij het met een volstrekte zekerheid: ik ben
niet alleen, hier is God, maar ik wist het niet. Over Mozes die is moeten
wegvluchten. De verschroeiende woestijnhitte zet een braamstruik in brand,
maar die brandt niet op. Mozes komt tot het besef: dit is een heilige
plaats, hier kan men God ontmoeten. En Jahwe, de God van zijn vaderen,
roept hem. Hij wordt belast met een ongelooflijk zware opdracht. Maar hij
krijgt een belofte: de naam zelf van God. 'Ik ben die bij u is'.
Dit zijn fundamentele voorbeelden van hoe het mensen
kan vergaan met God. Aan het begin van de vasten krijgen ze een bijzondere
betekenis. Hun boodschap is: wij kunnen God meer beleven dan we dagelijks
menen te ervaren.
Wie of wat God voor ons werkelijk betekent, kan ons
openbaar worden en tot ons doordringen telkens wanneer we tot het besef
komen dat de wereld waarin we ons bewegen niet plat is. Wanneer we iets
ondervinden of vermoeden van de hoogte of de diepte die we meestal niet
zien omdat we er niet op letten. Dat is de Jakob-ervaring: hier is God, en
ik wist het niet. Nu weet ik het, God is op mij toegetreden. Hoogte of
diepte kunnen voor ons opengaan als we tegen de grenzen van onze
beperktheid stuiten. Als ons iets kostbaars te beurt valt dat we zelf niet
hunnen maken of kopen; iets dat we niet verdienen.
Zulke hoogte of diepte kunnen we alleen gewaarworden
als de wereld van alles wat ons omringt en ons leven vult, leeg wordt, als
we alle bijkomstigheden wegruimen. Als we ze achter ons laten, of als ze
worden weggerukt. Als we ons welbewust keren of als we gedwongen worden,
tegen wil en dank, ons te keren tot het weinige dat werkelijk essentieel
is.
Een woestijn waar het leeg is en stil kunnen we
opzoeken. Daarvoor hoeven we meestal niet eens zo ver weg te gaan, maar
het zal ons wel de nodige inspanning kosten. Maar met ieder van ons zal
het al wel gebeurd zijn dat hem of haar de woestijn van leegte en stilte
overvalt.
Tegenslagen, ontgoocheling en teleurstelling, ernstige
ziekte en lijden drijven ons vaker dan ons lief is naar de woestijn. We
staan voor de diepte van een gapende afgrond of voor de hoogte van een
steile blinde muur. Dan schiet er niets anders over dan te vechten. We
moeten vechten, zoals Jezus tegen de duivelse bekoringen, vechten voor ons
geloof, misschien in hevige woede tegen God omdat we ons verraden en
losgelaten voelen. We moeten durven schreeuwen om hulp van medemensen en
hopen dat we het kunnen uithouden.
Alle bijbelse verhalen over woestijnbelevenissen zijn
roepingsverhalen. Dat is ook ons eigen Ievensverhaal. Laten we het elkaar
toewensen en ervoor bidden dat niemand van ons zijn of haar roeping
ontvlucht. Elk jaar opnieuw is de vasten een tijd die een oproep inhoudt
om ons te bekeren. Daarvoor moeten we ons niet noodzakelijk onderdompelen
in boetedoening. We moeten niet in zak en as lopen. Het voornaamste is dat
we ons durven keren naar de hoogte en de diepte van ons bestaan. Daar
vinden we een antwoord op de vraag van het lied dat we gezongen hebben:
"Hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden, eeuwige God, wij willen U
zien." Dat kan ons de vreugde te beurt vallen die ons blij doet
zeggen en zingen: ik heb iets van de genadige God mogen beleven.
|
| |