Dominicanen Leuven Zondagspreken
  29 november  - eerste advents zondag Afdrukken
 

 

Lezingen:

Jeremia 33,14-16
Lucas 21,25-28.34-36

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


De handen van de heilige hoop 


Goede vrienden,

Opnieuw Advent. Goed dat de liturgie telkens opnieuw de cirkel trekt zodat we kunnen verwijlen bij de hoofdpunten van ons christen zijn. Nu kijken we uit naar de Kerst, de geboorte van Jezus die voor ons, gelovigen, hét voorbeeld is van omgaan met mensen, maatschappij en wereld, en dat héél uniek gedragen door de Heer, zijn en onze God.

Vreemd genoeg geeft de evangelielezing van Lucas ons niet veel in handen om met vreugde de vier komende weken door te komen. Het is een verhaal van onheil en van angst. Net iets van alle tijden. Van toen en nu! Ook vandaag lijkt oorlog, misbruik van mensen, geweld en eigenbelang de vulling van onze dagen te zijn. Onzekerheid over de dag van morgen omdat er duizenden banen sneuvelen en de hoofdzetels van multinationals meer en meer naar het buitenland verhuizen: men spreekt over ‘sociale bloedbaden’! Je krijgt de indruk dat het eigenlijk nooit anders geweest is. Hoe kan je dan rond het mooie adventslicht staan?

En dan heb je in de eerste lezing de tekst van de klaagprofeet bij uitstek: Jeremia. Wonder genoeg komt hij, in tegenstelling van wat we zouden verwachten, met een boodschap van heil: "Er zal iemand komen die het land eerlijk en rechtvaardig bestuurt en de stad waarin Hij woont zal heten: Heer, onze gerechtigheid."

Je kan je afvragen of de liturgie ons vandaag niet bij de neus neemt en ons met verwarde gevoelens weer de weg van alle dag op stuurt en ons zelf de krijtlijnen van een goede advent laat uittekenen. Of zou het niet eerder zo zijn dat de twee lezingen fundamentele ervaringen van de gelovige mens belichten? De ervaring van kwaad, schijnbare zinloosheid en nutteloosheid. En tegelijkertijd de bijna onzichtbare ertegen aan leunende houding van gelovige moed. We kunnen geen echte christenen zijn als er geen soort onverklaarbare moed in ons hart schuil gaat. Niet-gelovigen verwijten ons soms naïef optimisme. En geven we maar toe dat er diep in eigen gelovig hart donkere slierten van aarzeling zijn als we rondom ons kijken. Advent roept ons op om vanuit onblusbaar verlangen naar gerechtigheid mee te werken aan een stad die ooit heten zal: ‘De Heer, onze gerechtigheid’. Hoe je het draait of keert: christenen zijn heel realistische naïevelingen. Mensen die, zoals bij Jeremia, de donkerte aanvoelen maar de helheid van het Licht niet vergeten zijn.

Nooit zal er een rechtvaardige wereld zijn als mensen geen handlangers van God zijn. Vrome bidders zijn maar vrome bidders als ze werkhanden vol eelt hebben, want aan vechten tegen armoede schaaf je je handen en ziel kapot.
Het thema van deze advent is: 'Werk armoede weg'. We zullen ons geen hemelse stad bouwen als we de worm van de armoede niet trachten uit te roeien. Het is allemaal heel concreet: weten we dat er in dit dierbaar België 1 op 5 kinderen wonen in een gezin waar financiële problemen zijn? En huishoudens waar niemand een betaalde job heeft zijn tegenwoordig helaas groeiende werkelijkheid. En zelfs als mensen werk hebben is de verloning soms nog te laag. Op dit ogenblik, zo hebben studies uitgemaakt, heeft 4 % van de toch werkenden een te laag inkomen en helaas zouden we ze kunnen noemen: ‘de werkende armen’. De hedendaagse voedselbanken komen brood en handen te kort: je leest het zo dikwijls in kranten. En bovendien heb je de psychische armoede: wie uit een ‘vierde-wereld- gezin’ komt heeft niet alleen tekort aan materieel goed maar is zo dikwijls beladen met de littekens van twist en helemaal niet geschoold zijn. Een ‘vierde wereld beweging’ zet zich voor deze mensen met hart en ziel in.

Moet ik ook nog de ‘sans papiers’ opnoemen? En zoveel anderen?

Zijn dat dan de blijde adventsoverwegingen die ons naar een zalige Kerst moeten leiden? Hoe we het draaien of keren: we kunnen er niet onder uit om ons de dwaze hoop van Jeremia eigen te maken en te proberen ‘armoede weg te werken’. Anders kunnen we ‘onze hoofden niet omhoog heffen’ zoals Lucas dat vraagt. Wanneer we Jezus in het evangelie horen vragen aan zijn leerlingen ‘dat ze waakzaam zouden zijn’, dan is dit zeker niet alleen om reeds vanaf nu het volle Licht te aanschouwen. Wel dat we spits alert blijven voor een wereld die het getuigenis van onze onverwoestbare hoop broodnodig heeft en merkt dat die heilige Hoop ons handen geeft om wat goeds op te bouwen.

De twee lezingen hebben ons op de juiste lijn gebracht: tegelijk zien wat er allemaal nog moet gedaan worden en tevens de Hoop ontsloten van waaruit we het aandurven te werken.

Veel romantiek is er aan Advent niet te beleven. Een adventskrans is helemaal geen romantiek maar dient om er ons aan te herinneren dat we het licht van de zorg voor anderen niet mogen doven. Deze eerst kaars mag en moet lang blijven nabranden: ze is het begin van een adventskrans waarop de lichtjes niet meer te tellen zijn omdat ‘verlossing nabij is’: zo zegt de evangelielezing. Of in woorden van deze tijd: ‘verlossing’ zal er zijn als woorden zoals armoede, uitbuiting, geweld, oorlog, discriminatie, en verkrachting, enkel te vinden zijn in woordenboeken die je alleen kan raadplegen in ‘musea van de prehistorie’.

En, niet te geloven bijna: zeggen dat die tijd écht komt: daarom vieren we gelovig samen deze advent!

A. Vaganée o.p.

 
   Terug