| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 24 mei - zevende paaszondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
In het evangelie van vandaag komt wellicht het
belangrijkste thema van heel ons gelovig zijn tot driemaal toe ter sprake.
Wij geloven immers dat God in de kern van de werkelijkheid het
reilen en zeilen van ons leven innerlijk begeleid. Al in het begin van de
tekst die we hoorden bidt Jezus tot zijn God en hemelse Vader: Heilige
Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij mij hebt gegeven, opdat zij één mogen
zijn zoals wij. En nog tweemaal op het einde: Vader, ik bid niet dat Gij
hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor het kwaad. En:
‘omwille van hen wijd ik mij aan U, opdat ook zij aan U toegewijd mogen
zijn. Van Jezus Christus hebben we onze naam van christenen. Maar Jezus
verwijst ons telkens weer - niet naar zichzelf - maar naar zijn God en
Vader in de hemel als degene om wie alles draait. Hij zal ons
innerlijk doordesemen.
Wat betekent dat? Jezus kon in zijn gedragingen een
menselijk beeld zijn van Gods liefde voor de mensen. In en aan Jezus
konden we de liefde van God zien. God zelf zagen en zien we echter niet.
Maar in vele teksten heeft Jezus zichzelf tegenover zijn God en Vader op
een lagere plaats gezet. Ook al wordt Jezus in het evangelie van Johannes
in de mond gelegd: Ik en de Vader, wij zijn één (Jo 10,30). Maar zo heeft
Jezus zelf nooit gesproken. Ook voor Jezus was God alleen God. Bij de
profeet Ezechiël stond immers dat geen enkele mens zich aan God gelijk mag
maken (Ezechiël 28,2). Het komt er dus op aan, aan de onzichtbare God DE
centrumplaats in ons leven te geven.
De woorden van en over Jezus in het Nieuwe Testament
zijn menselijke woorden. En menselijke woorden hebben hun beperkingen. Wij
kunnen die woorden bovendien ook manipuleren. We kunnen ze zo gemakkelijk
verharden. De uitspraak van Sint-Paulus: In Christus is de goddelijke
volheid lichamelijk aanwezig (Kolossenzen 2,9), wordt algauw: Jezus is
God. Maar die stap kunnen en mogen we niet zetten. Er is maar één God.
Wetten worden strenge wetten, die weinig rekening houden met de concrete
situaties en de concrete mensen daarin. Nochtans is de onzichtbare God een
milde God. Zo laat hij zich alvast in de ervaring van de mystici
kennen. Daarom is het zo belangrijk dat Jezus ons zo dikwijls naar zijn
hemelse Vader heeft doorverwezen. Dat lijkt mij een vingerwijzing te zijn,
dat we de wetten, die van hem staan opgetekend, niet verhardend mogen
verstaan. We moeten er van meet af aan de goddelijke mildheid bij horen.
‘Vader, omwille van hen wijd ik mij aan U, opdat ook
zij aan U toegewijd mogen zijn’, zei Jezus. Jezus wijdt zich toe aan God,
opdat ook wij aan God zouden zijn toegewijd. Ik denk dat Jezus zich aan de
mildheid van God wilde toewijden, opdat ook wij voor elkaar mild zouden
zijn. Daartoe moeten we gevoelig zijn voor de verzuchtingen en angsten van
de concrete mensen met wie we omgaan. We kunnen wellicht zeggen dat de
Geest van God niet zozeer de wetten dicteert, maar dat hij tegenover de
wetten die allemaal mensenwerk zijn, en die verhardend kunnen werken, tot
mildheid inspireert. Diegenen die tot een verstild leven in de geest
mochten komen, mochten meestal milde mensen worden. De oma’s en de opa’s
zijn meestal milder tegenover hun kleinkinderen dan de mama’s en de papa’s
tegenover hun kinderen. De geest van God - of zo je wil: de werkelijkheid
zelf - heeft reeds vijf en twintig jaar méér tijd gehad om de mildheid in
de harten van oma en opa te laten binnensijpelen. De diamant van de
mildheid werd zoveel langer geslepen.
Als dat de rol zou kunnen zijn van God en zijn Geest
van mildheid, dan lijkt het mij goed aanneembaar, dat Jezus die zelf een
milde mens was, zo goed de centrumplaats van zijn hemelse Vader in zijn
leven en in onze mensenwereld heeft aangevoeld. Daarom is het ook zo
belangrijk dat Jezus ons telkens weer over zichzelf heen naar zijn Vader
in de hemel verwijst. Er werkt een hemelse kracht in ons leven! En
voor die kracht moeten we gevoelig worden, en mogen we dankbaar zijn.
Jaak Vandenbulcke o.p. |
| |