| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 8 november - twee-en detigste zondag |
|
|
Lezing:
|
|||
|
De lezing over de profeet Elia en de weduwe van
Sarefat biedt ons de gelegenheid twee types van gelovige mensen
tegenover elkaar te stellen. Elia, de overtuigde en vertrouwvolle
gelovige en de weduwe van Sarepta als een gelovige die door pijnlijke
omstandigheden het zicht op God verloren is, maar toch in haar hart nog
gelooft.
Er was een grote droogte in het land en de weduwe van
Sarefat wou hout sprokkelen om een laatste keer lvoor haarzelf en voor
haar zoon eten klaar te maken. In de stadspoort ontmoet ze Elia die haar
vraagt: wees zo goed en breng een stuk brood mee voor mij. Daarop
antwoordt de weduwe: ik heb geen brood meer, alleen nog maar een handvol
meel in de pot en een beetje olie in de kruik. Zij had alle hoop
verloren en zegt: ‘Ik sprokkel nu wat hout en ga dadelijk naar huis om
voor mij en mijn zoon voor het laatst eten klaar te maken; daarna wacht
ons de dood. Ze was totaal ontmoedigd en zag alleen nog maar het handvol
meel en het beetje olie in de kruik. Verder kon ze alleen maar het niets
- de dood - zien. Ze kon God niet meer in het vizier krijgen.
Tegenover de weduwe staat de profeet Elia, die een
rots van vertrouwen op God is. Hij antwoordt haar: ‘Vrees niet, ga naar
huis en doe wat u van plan bent’. Dat wil zeggen, ga maar eten maken.
Maar hij verzwaart de situatie voor de weduwe nog. Hij voegt eraan toe:
‘Maar maak van het meel en de olie eerst nog een broodje voor mij. Voor
uzelf en uw zoon kunt u daarna zorgen.' Drijft Elia hier niet de spot
met de arme weduwe? Ik denk van niet. Op de een of andere wijze wil hij
haar prikkelen, om wellicht nog toekomst te zoeken. Zelf had ze
alleen maar een handvol meel en een beetje olie kunnen verzamelen voor
haarzelf en haar zoon. Misschien moest ze wel op God vertrouwen,
en was dat een uitweg.
Dat perspectief op God opent Elia voor de weduwe door
zijn woorden te beëindigen met: ‘Zo zegt de Heer, de God van Israël: De
pot met meel raakt niet leeg en de kruik met olie niet uitgeput, totdat
de Heer het weer laat regenen.’ De weduwe kon alleen maar het handvol
meel en het beetje olie zien. Zij kon niet zien dat God met de
zeer karige situatie toch nog heel wat perspectief buiten de dood kon
openhouden. Hij kon maken dat de pot met meel niet leeg geraakte en de
kruik met olie niet uitgeput.
Dat de weduwe van Sarefat niet een ongelovige vrouw
was, laat de schrijver van het verhaal blijken, doordat hij de vrouw
eigenlijk zonder al te veel bezwaren het bevel van Elia laat opvolgen. ‘Toen
ging ze heen en deed wat Elia had gezegd’. Diep in haar hart geloofde de
weduwe nog in God. Ze moest alleen worden gewekt door de grote gelovige
Elia.
Hoe kunnen we ons nu het type van het geloof van de
weduwe van Sarefat voorstellen? Onlangs las ik in een boek een uitspraak
van de Duitse dichter Jean-Paul van rond 1800: ‘Als ooit mijn hart zo
ongelukkig en uitgestorven zou zijn ,dat alle gevoelens die ja zeggen
tegen het bestaan van God erin zijn vernietigd, dan zou ik me hierover
verontrusten, en die onrust zou mij genezen en mij mijn gevoelens
teruggeven' De dichter zag de mogelijkheid van een situatie
waarin het zicht op God volledig verduisterd kon zijn. Maar daarnaast
wist hij ook dat in zijn hart gevoelens voor God sluimerden. En hij
ervoer dat die gevoelens voor God zich niet zomaar zouden laten
verdringen. Daarom hoopte hij dat die gevoelens voor God hem zouden
worden teruggegeven. Dat is wellicht een zwak geloof, maar het is een
echt geloof, dat wel hulp nodig heeft. Door een dergelijk geloof kan ook
de weduwe van Sarefat zijn bewogen, om zo vlug toch op de moeilijke
vraag van de profeet Elia in te gaan. Ook zij was een gelovige vrouw, al
was zij geen Elia. Zij kan gedacht hebben, op de een of andere manier zal
God er wel in voorzien.
Wat kunnen wij uit het verhaal van de profeet
Elia en de weduwe van Sarefat leren? Dat er naast een rotsvast en
vertrouwvol geloof, ook een sluimerend geloof kan bestaan. En dat dat
sluimerend geloof ook een echt geloof is. Als wij even God niet meer in
het vizier krijgen, dat we toch nog door hem in ons hart kunnen worden
bewogen. Ook in verband met het geloof, kan er méér in ons zijn dan we
durven denken. God laat ons niet los.
Jaak Vandenbulcke o.p.
|
| |