| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 7 december - tweede adventszondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Broeders en zusters, En toch, en toch: gelovigen, wijzelf, zijn goddelijk tegendraadse mensen
die evenals anderen voelen dat kwaad als een veenbrand onder onze voeten
verder woedt en die evenals anderen wel het goede zien maar het kwaad niet
van hun netvlies kunnen wegbranden. Laten wij ons dan niet troosten en
oproepen door een visioen van vrede en gerechtigheid? Toch wel! Wij zijn
de onverbeterlijke realisten die uitzien in deze adventstijd naar ooit een
tijd waarin de Heer God in het midden mag staan en waar gerechtigheid en
vrede een hele wereld als een mantel om de schouders mag hangen. Wij zijn
geen optimisten die vinden dat het glas altijd half vol is; we zijn
gelovige zoekers, piekeraars soms, die de hoop nooit volledig opgeven en
die geloven dat 'God in ons midden' ons de kracht zal geven mee te bouwen
aan een maatschappij van vrede. We proeven nu de evangelietekst: uitgerekend het begin van het evangeliet
van Marcus. Helemaal geen geboorteverhaal of engelenzang en 'liedekens
also fijn'. Wel de woestijn met die wondere figuur van Johannes de Doper.
Hij ziet zichzelf als de door Jesaja aangekondigde bode die de anderen
oproept om zich te bekeren. Hij duwt ons onmiddellijk met de neus op de
hoofdzaak van 'leven in het spoor van Jezus'. Die na hem komt zal dopen
met de Heilige Geest zodat wij, mensen nu, alle paden 'recht' kunnen maken
en als legoleggers met onze stenen kunnen bouwen aan vrede, hartelijkheid,
rechtvaardigheid en loutere liefde zoals de Heer onze God die droomt. Alsof het gisteren was herinner ik het mij. Ik was een
puber en was in de jeugdbeweging. Ik had het geluk te mogen dwepen met
mijn hoofdleider: ik imiteerde zijn gebaren, kamde mijn toen nog welige
haren zoals hij dat deed en maakte nadenkpauzes in mijn zinnen want ook
hij deed dat. Ik droomde wel eens over hem omdat ik wou worden zoals hij.
Dit alles heeft zijn goede sporen nagelaten omdat ik fijne dingen van hem
geleerd heb. Met de jaren kwam in mij de glimlach op over de heftigheid
van mijn fan-zijn. Ik werd stilaan mezelf en ontdekte dat ik meer had van
mijn ouders dan van mijn jeugdfan.- Dit alles kwam bij mij op toen ik over
Sint Jan de Doper nadacht. Mensen van overal komen luisteren naar die
Fanfiguur die een duidelijke boodschap heeft: 'Bekeer u zodat jullie klaar
zijn om in het spoor te treden van Degene die na mij komt: de Heer Jezus.'
Luisteraars moeten geboeid geweest zijn door zijn bezieling zoals een
gezonde puber dat is door zijn fan-figuur. Ze lieten zich dopen door Johannes en maakten zich klaar om zich te laten dopen door de
heilige
Geest. Met de jaren verdwijnt de Doperfiguur uit de onmiddellijke
aandacht. Maar de gelovigen zijn klaar om handlangers van de Heer te
worden in de opbouw van een wereld waarin oorlog en vijandschap definitief
uit het woordenboek verdwenen zijn. Van zulk visioen durven wij leven.
Goed dat dit in de advent voorgehouden wordt. Goed dat Joannes de Doper
voor ons de wegwijzer is. Bij dit alles koester ik in de advent de hoop dat ook wij iets mogen
hebben van Johannes. Zonder figuren zoals hij verdolen we. We hebben nood
aan medegelovigen die ons iets voorleven van 'in Gods naam werken aan Zijn
Rijk'. Moet niet groots zijn: elk woord of gebaar dat een ander beter
maakt is een Adventsgebaar: daarin zijn we dan de Doper voor de anderen.
Mag ons dat gegeven zijn.
A. Vaganée, o.p. |
| |