Dominicanen Leuven Zondagspreken
  28 december - Heilige Familie Afdrukken
 

Lezingen:


Kolossenzen 3,12-21
Lucas 2,22-40

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Licht krijgen en licht geven


Drie dagen na Kerstmis valt het liturgisch licht dit jaar op het gezin waarin Jezus is opgegroeid. Zijn ouders waren vrome joden. Ze hebben het voorschrift van de wet nauwgezet gevolgd en zijn naar Jeruzalem gereisd om hun eerstgeboren zoon in de tempel aan God toe te wijden. Vandaag gebeurt dat niet meer, ouders die hun eerste kind toewijden aan God. Ze willen wel liefhebbende ouders zijn en ze hopen dat hun kinderen hen gaarne zullen blijven zien. Geen heilig gezin, maar toch een zo goed mogelijk gezin, zo lang mogelijk.

De kerkgang, zo heette het vroom gebruik van vroeger dagen. Ongeveer zes weken na de bevalling ging een moeder met haar baby naar de kerk om God te danken. Ze offerde een kaars en de priester sprak over haar en haar kind een bijzondere zegen uit. Dit was een christelijke versie van een gebruik dat door de joodse wet was voorgeschreven. In de bijbelse wetboeken staan twee voorschriften. Veertig dagen na de geboorte van een kind moest een joodse moeder een reinigingsritueel ondergaan. En haar eerstgeboren zoon moest door een offer vrijgekocht worden, want volgens de wet behoorde het toe aan Jahwe.

Maria en Jozef hebben die wettelijke voorschriften gevolgd. In zijn beschrijving daarvan gaat Lucas op dezelfde wijze te werk als in zijn andere verhalen over het kind Jezus. Jezus was een zeer uitzonderlijk mens, volstrekt uniek, 'zoon van God' in die mate dat er nooit een ander mens zoals hij kan bestaan. Lucas beschrijft hoe dat unieke al aan het licht is getreden - geopenbaard werd - bij zijn conceptie en zijn geboorte en in zijn kinderjaren. Dat is dus ook gebeurd bij zijn opdracht in de tempel.

In de tempel waren twee bejaarden aan het einde van hun dagen die de ware identiteit van het kind Jezus herkenden en ze openbaar maakten. Ze zagen scherper en keken verder dan zijn ouders. Lucas laat hen in de toekomst kijken. Ze vervulden dezelfde rol als de herders bij Jezus' geboorte en, in het Matteüsevangelie, de wijzen uit het Oosten die de koning vonden naar wie ze op zoek waren. Dezelfde rol ook als Johannes de Doper die zo'n dertig jaar later Jezus aanwees als diegene van wie de komst was voorspeld. Het zijn mensen geweest die aan medemensen bekend hebben gemaakt hoe God als een mens bij hen is komen wonen.

De bejaarde Simeon zag in de verschijning van het kind Jezus vervuld wat hij had gehoopt te mogen zien vóór hij zou sterven. Niet alleen glorie voor zijn eigen volk, maar heil door God voor alle volkeren toebereid en licht aan de heidenen geopenbaard. Maar tegelijk voorzag hij hoe die openbaring in de persoon van Jezus een scheiding der geesten zou teweegbrengen die Maria veel pijn zou doen lijden. Jozef, de arme man, komt helemaal niet in beeld.

Als wij vandaag van dit evangelie de kern van een bijzonder feest maken, is het omdat we Gods zelfopenbaring in onze menselijkheid vieren. Mogen en kunnen we het dan, God dankend, Simeon nazeggen: 'mijn ogen hebben uw heil gezien'? Als we eerlijk zijn, zullen we beginnen met te bekennen dat we vooral veel onheil zien. We zijn geen zieners zoals Simeon. Maar we moeten niet in de toekomst kunnen kijken, naar heil dat op komst is, om onze ogen te scherpen voor wat we vandaag kunnen bespeuren; om daarvoor de juiste bril op te zetten.

Het zijn mensen die voor elkaar zichtbaar maken hoe God in zijn barmhartige almacht met het heil van onze wereld begaan is. In de eerste plaats misschien door metterdaad 'neen' te zeggen tegen onheil. Misschien maken we ons toch geen illusies als we zichtbare tekenen van heil menen te bespeuren en te kunnen aanwijzen, waar gebroken mensen en menselijke verhoudingen worden hersteld en kloven worden overbrugd, waar mensen de handen in elkaar slaan om verzoening en verstandhouding te bewerken, waar troost en bemoediging te beurt vallen aan mensen die in de put zitten, bevrijding aan mensen die verslaafd zijn, waar licht wordt getoond aan mensen die op hun levensweg verdwaald zijn, waar de horizon wordt opengebroken voor mensen die geen toekomst meer zien.

Christenen, schreef Paulus aan de Korintiërs, zijn een open brief van Christus, "niet met inkt geschreven, niet gegrift op stenen tafelen", maar door hun wijze van leven (2 Korintiërs 3,2-3). Het geeft ons geen redenen om een bijzondere christelijke pretentie te koesteren. Het legt ons een bijzondere verantwoordelijkheid op. "Jezus' licht brandt in deze wereld alleen met de olie van ons leven" (E. Schillebeeckx).

Als we vandaag kleine kinderen en hun ouders in het licht stellen, zouden we de profetie van Simeon op hen kunnen toepassen, niet als een voorspelling maar als een wens en een gebed. Dat ze licht mogen krijgen en licht mogen geven waardoor ze heil kunnen tonen waar het geschiedt en zelf ook heil voor anderen kunnen betekenen. En ook, dat ze er niet voor terugschrikken om, als het moet, een teken van tegenspraak te zijn.

B.J. De Clercq o.p.

 
   Terug