| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 28 december - Heilige Familie |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Drie dagen na Kerstmis valt het liturgisch licht dit jaar op het gezin
waarin Jezus is opgegroeid. Zijn ouders waren vrome joden. Ze hebben het
voorschrift van de wet nauwgezet gevolgd en zijn naar Jeruzalem gereisd om
hun eerstgeboren zoon in de tempel aan God toe te wijden. Vandaag gebeurt
dat niet meer, ouders die hun eerste kind toewijden aan God. Ze willen wel
liefhebbende ouders zijn en ze hopen dat hun kinderen hen gaarne zullen
blijven zien. Geen heilig gezin, maar toch een zo goed mogelijk gezin, zo
lang mogelijk. De kerkgang, zo heette het vroom gebruik van vroeger
dagen. Ongeveer zes weken na de bevalling ging een moeder met haar baby naar
de kerk om God te danken. Ze offerde een kaars en de priester sprak over
haar en haar kind een bijzondere zegen uit. Dit was een christelijke versie
van een gebruik dat door de joodse wet was voorgeschreven. In de bijbelse
wetboeken staan twee voorschriften. Veertig dagen na de geboorte van een
kind moest een joodse moeder een reinigingsritueel ondergaan. En haar
eerstgeboren zoon moest door een offer vrijgekocht worden, want volgens de
wet behoorde het toe aan Jahwe.
Maria en Jozef hebben die wettelijke voorschriften
gevolgd. In zijn beschrijving daarvan gaat Lucas op dezelfde wijze te werk
als in zijn andere verhalen over het kind Jezus. Jezus was een zeer
uitzonderlijk mens, volstrekt uniek, 'zoon van God' in die mate dat er nooit
een ander mens zoals hij kan bestaan. Lucas beschrijft hoe dat unieke al aan
het licht is getreden - geopenbaard werd - bij zijn conceptie en zijn
geboorte en in zijn kinderjaren. Dat is dus ook gebeurd bij zijn opdracht in
de tempel.
In de tempel waren twee bejaarden aan het einde van hun
dagen die de ware identiteit van het kind Jezus herkenden en ze openbaar
maakten. Ze zagen scherper en keken verder dan zijn ouders. Lucas laat hen
in de toekomst kijken. Ze vervulden dezelfde rol als de herders bij Jezus'
geboorte en, in het Matteüsevangelie, de wijzen uit het Oosten die de koning
vonden naar wie ze op zoek waren. Dezelfde rol ook als Johannes de Doper die
zo'n dertig jaar later Jezus aanwees als diegene van wie de komst was
voorspeld. Het zijn mensen geweest die aan medemensen bekend hebben gemaakt
hoe God als een mens bij hen is komen wonen.
De bejaarde Simeon zag in de verschijning van het kind
Jezus vervuld wat hij had gehoopt te mogen zien vóór hij zou sterven. Niet
alleen glorie voor zijn eigen volk, maar heil door God voor alle volkeren
toebereid en licht aan de heidenen geopenbaard. Maar tegelijk voorzag hij
hoe die openbaring in de persoon van Jezus een scheiding der geesten zou
teweegbrengen die Maria veel pijn zou doen lijden. Jozef, de arme man, komt
helemaal niet in beeld.
Als wij vandaag van dit evangelie de kern van een
bijzonder feest maken, is het omdat we Gods zelfopenbaring in onze
menselijkheid vieren. Mogen en kunnen we het dan, God dankend, Simeon
nazeggen: 'mijn ogen hebben uw heil gezien'? Als we eerlijk zijn, zullen we
beginnen met te bekennen dat we vooral veel onheil zien. We zijn geen
zieners zoals Simeon. Maar we moeten niet in de toekomst kunnen kijken, naar
heil dat op komst is, om onze ogen te scherpen voor wat we vandaag kunnen
bespeuren; om daarvoor de juiste bril op te zetten.
Het zijn mensen die voor elkaar zichtbaar maken hoe God
in zijn barmhartige almacht met het heil van onze wereld begaan is. In de
eerste plaats misschien door metterdaad 'neen' te zeggen tegen onheil.
Misschien maken we ons toch geen illusies als we zichtbare tekenen van heil
menen te bespeuren en te kunnen aanwijzen, waar gebroken mensen en
menselijke verhoudingen worden hersteld en kloven worden overbrugd, waar
mensen de handen in elkaar slaan om verzoening en verstandhouding te
bewerken, waar troost en bemoediging te beurt vallen aan mensen die in de
put zitten, bevrijding aan mensen die verslaafd zijn, waar licht wordt
getoond aan mensen die op hun levensweg verdwaald zijn, waar de horizon
wordt opengebroken voor mensen die geen toekomst meer zien.
Christenen, schreef Paulus aan de Korintiërs, zijn een
open brief van Christus, "niet met inkt geschreven, niet gegrift op stenen
tafelen", maar door hun wijze van leven (2 Korintiërs 3,2-3). Het geeft ons geen
redenen om een bijzondere christelijke pretentie te koesteren. Het legt ons
een bijzondere verantwoordelijkheid op. "Jezus' licht brandt in deze wereld
alleen met de olie van ons leven" (E. Schillebeeckx).
Als we vandaag kleine kinderen en hun ouders in het licht
stellen, zouden we de profetie van Simeon op hen kunnen toepassen, niet als
een voorspelling maar als een wens en een gebed. Dat ze licht mogen krijgen
en licht mogen geven waardoor ze heil kunnen tonen waar het geschiedt en
zelf ook heil voor anderen kunnen betekenen. En ook, dat ze er niet voor
terugschrikken om, als het moet, een teken van tegenspraak te zijn.
B.J. De Clercq o.p. |
| |