| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 23 augustus - eenentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
Jozua 24,1-2.15-18
|
|||
|
'Wilt ook gij
soms heengaan?' Goede Vrienden, Als wij nu dit sluitstuk vergelijken met het begin
van Johannes' hoofdstuk, waarin ons de wonderbare broodvermenigvuldiging
werd verteld, dan valt ons wel een schrille tegenstelling op: het wilde
enthousiasme dat zich bij het broodwonder van de mensen had meester
gemaakt – en waarvoor Jezus zelfs vluchtte omdat ze Hem tot koning
wilden uitroepen – is nu weggeëbd in een vlucht van de mensen, ja zelfs
van een deel van Jezus' leerlingen, zodat Jezus aan de twaalf zal vragen:
"Wilt ook gij soms heengaan?"
Hoe komt dat? Blijkbaar vonden de mensen, na al de
uitleg die Jezus hun gegeven had, niet wat ze van Hem verwachten. Brood
om te eten, ja dat was welkom, maar zijn vlees, als brood dat uit de
hemel komt en dat leven geeft in eeuwigheid. Neen, daarvoor liepen ze
hem niet achterna. Wie kan nu zijn vlees te eten geven, of wie is
geďnteresseerd aan een hemels leven? Daarvoor bedankten ze; Hun
verlangens waren blijkbaar niet door God ingegeven; want slechts wie God
in zijn hart laat spreken, gaat op het hemelse zinnen en gaat vermoeden
wat Jezus bedoelt met zijn zelfgave en waartoe die leiden mag.
Jezus alludeert daarom niet alleen op zijn herkomst,
maar ook op zijn kruisdood en hemelvaart als Hij zegt: "Als gij de
mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was". Maar voor
ongelovigen zal Jezus' dood ook een dwaasheid en een mislukking zijn en
de hemelvaart losse praat. Wie echter gelooft ziet in Jezus'
verheerlijking juist het bewijs dat het vlees, op zich genomen, van geen
nut is, maar wel de geest die het bezielt en die de mens uiteindelijk
tot volle leven brengt.
Daarom is het lichaam dat Jezus ons als brood
aanbiedt, geen dood vlees, maar het voor ons mensgeworden Woord van God
dat ook ons wil bezielen en voeren naar een eeuwig bestaan.
Wij hebben dus een keuze te maken, net zoals de Joden
uit de eerste lezing bij hun aankomst in het heilig land moesten kiezen
voor of tegen Jahwe, net zoals Jezus' leerlingen hier in het evangelie
voor of tegen Jezus moesten kiezen. Ofwel geloven wij in Jezus als het
mensgeworden woord van God, - ‘de heilige van Gods’ zoals Petrus het
uitdrukte, - wiens woorden eeuwig leven geven, ofwel staren we ons blind
op zijn menselijke verschijning die met het kruis verdwenen is en dus
helemaal niet beantwoordt aan de langverwachte koning van Israel die
politieke macht en brood en spelen zou brengen.
Als christenen hebben wij deze keuze gemaakt. Maar
werkt dat na in ons dagelijks bestaan? Hoe zien wij onze medemensen?
Waaraan werken wij bij onszelf en bij de anderen? Geloven wij in een
verheerlijkte toekomst die wij nu moeten opbouwen onder het levengevend
woord van het evangelie? En staat ons leven en onze omgang met de
anderen daarop gericht? Jezus wil ons toch doen opstaan op de laatste
dag, zoals wij Hem verleden week hoorden zeggen!
En hoe ontvangen wij Jezus' lichaam in de communie?
Enkel dankbaar voor zijn goede bijstand? Of als een opdracht om zijn
Geest meer en meer in ons op te nemen en van daaruit ons leven te
richten naar die toekomst?
Want voor wie aanneemt dat het de Geest is die levend
maakt, krijgen vele aardse dingen een heel andere betekenis en worden
heel wat menselijke prestaties gerelativeerd. De vraag is dan of ze ons
beter hebben gemaakt, meer gelijkvormig aan Christus, meer bereid om met
Hem in God verenigd te worden? Het eeuwig leven waarvoor Christus het
brood is, wordt nů opgebouwd, als wij zijn leerlingen willen zijn.
23 augustus 2009
Joris Backeljauw o.p.
|
| |