Dominicanen Leuven Zondagspreken
  23 augustus - eenentwintigste zondag Afdrukken
 

Lezingen:

Jozua 24,1-2.15-18
Johannes 6,60-69

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

'Wilt ook gij soms heengaan?'


Goede Vrienden,
Met de perikoop die u zojuist beluisterde, sluit Johannes het zesde hoofdstuk van zijn evangelie af dat ons over vijf zondagen werd voorgelezen en dat handelde over Jezus als ons levensbrood.

Als wij nu dit sluitstuk vergelijken met het begin van Johannes' hoofdstuk, waarin ons de wonderbare broodvermenigvuldiging werd verteld, dan valt ons wel een schrille tegenstelling op: het wilde enthousiasme dat zich bij het broodwonder van de mensen had meester gemaakt – en waarvoor Jezus zelfs vluchtte omdat ze Hem tot koning wilden uitroepen – is nu weggeëbd in een vlucht van de mensen, ja zelfs van een deel van Jezus' leerlingen, zodat Jezus aan de twaalf zal vragen: "Wilt ook gij soms heengaan?"

Hoe komt dat? Blijkbaar vonden de mensen, na al de uitleg die Jezus hun gegeven had, niet wat ze van Hem verwachten. Brood om te eten, ja dat was welkom, maar zijn vlees, als brood dat uit de hemel komt en dat leven geeft in eeuwigheid. Neen, daarvoor liepen ze hem niet achterna. Wie kan nu zijn vlees te eten geven, of wie is geďnteresseerd aan een hemels leven? Daarvoor bedankten ze; Hun verlangens waren blijkbaar niet door God ingegeven; want slechts wie God in zijn hart laat spreken, gaat op het hemelse zinnen en gaat vermoeden wat Jezus bedoelt met zijn zelfgave en waartoe die leiden mag.

Jezus alludeert daarom niet alleen op zijn herkomst, maar ook op zijn kruisdood en hemelvaart als Hij zegt: "Als gij de mensenzoon ziet opstijgen naar waar Hij vroeger was". Maar voor ongelovigen zal Jezus' dood ook een dwaasheid en een mislukking zijn en de hemelvaart losse praat. Wie echter gelooft ziet in Jezus' verheerlijking juist het bewijs dat het vlees, op zich genomen, van geen nut is, maar wel de geest die het bezielt en die de mens uiteindelijk tot volle leven brengt.

Daarom is het lichaam dat Jezus ons als brood aanbiedt, geen dood vlees, maar het voor ons mensgeworden Woord van God dat ook ons wil bezielen en voeren naar een eeuwig bestaan.

Wij hebben dus een keuze te maken, net zoals de Joden uit de eerste lezing bij hun aankomst in het heilig land moesten kiezen voor of tegen Jahwe, net zoals Jezus' leerlingen hier in het evangelie voor of tegen Jezus moesten kiezen. Ofwel geloven wij in Jezus als het mensgeworden woord van God, - ‘de heilige van Gods’ zoals Petrus het uitdrukte, - wiens woorden eeuwig leven geven, ofwel staren we ons blind op zijn menselijke verschijning die met het kruis verdwenen is en dus helemaal niet beantwoordt aan de langverwachte koning van Israel die politieke macht en brood en spelen zou brengen.

Als christenen hebben wij deze keuze gemaakt. Maar werkt dat na in ons dagelijks bestaan? Hoe zien wij onze medemensen? Waaraan werken wij bij onszelf en bij de anderen? Geloven wij in een verheerlijkte toekomst die wij nu moeten opbouwen onder het levengevend woord van het evangelie? En staat ons leven en onze omgang met de anderen daarop gericht? Jezus wil ons toch doen opstaan op de laatste dag, zoals wij Hem verleden week hoorden zeggen!

En hoe ontvangen wij Jezus' lichaam in de communie? Enkel dankbaar voor zijn goede bijstand? Of als een opdracht om zijn Geest meer en meer in ons op te nemen en van daaruit ons leven te richten naar die toekomst?

Want voor wie aanneemt dat het de Geest is die levend maakt, krijgen vele aardse dingen een heel andere betekenis en worden heel wat menselijke prestaties gerelativeerd. De vraag is dan of ze ons beter hebben gemaakt, meer gelijkvormig aan Christus, meer bereid om met Hem in God verenigd te worden? Het eeuwig leven waarvoor Christus het brood is, wordt nů opgebouwd, als wij zijn leerlingen willen zijn.

23 augustus 2009

Joris Backeljauw o.p.

 
   Terug