| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 15 augustus - Maria Hemelvaart |
|
|
Lezingen:
Apocalyps 12,1-10
|
|||
|
Viering van de
christelijke hoop In de kapel van de benedictinessen waar mijn tante non
woonde stond een beeld van O.-L.-Vrouw met 12 sterren rond haar hoofd en onder haar voeten een
halve maan. Daaronder stond een opschrift in het Latijn: 'pulchra ut
luna'. Mooi als de maan. Om dit te begrijpen moeten we een omweg maken.
Het is wel zeker dat Johannes niet direct aan
O.-L-Vrouw heeft gedacht. Hij heeft zijn boek geschreven ongeveer 70 jaar
na de dood van Jezus. De eerste uitbarstingen van christenvervolging waren
toen al gebeurd in Rome, maar het ergste moest nog komen. Johannes
schildert in vreeswekkende beelden de botsing tussen de heersende
opvattingen en de kleine groepen christenen als het grote conflict tussen
God en de anti-goddelijke, duivelse machten. Het is de strijd van de
sterken die met hun staart de sterren van de hemel kunnen vegen en met hun
pink de gang van zaken bepalen, tegen de zwakken die weerloos zijn als een
vrouw in barensnood. De christenen lijken geen enkele kans tot overleven
te hebben. Maar de boodschap van Johannes is dat de onschuld, het
kwetsbare, het zwakke, in die strijd niet ten onder zal gaan. Uiteindelijk
zal het overwinnen.
Het is een vrouw, zegt Johannes, een machteloze vrouw,
die het kwaad in de wereld zal overwinnen. Een vrouw die het uitschreeuwt
van pijn in haar barensweeën en die nieuw leven brengt. Zij zal de
messias ter wereld brengen. We kunnen begrijpen hoe uit dit beeld de
gelovige overtuiging is gegroeid dat Maria, zoals Jezus, na haar dood, met
een verheerlijkt lichaam ten hemel is opgenomen. Maar misschien is dat
niet het meest essentiële. Het meest essentiële is dat God daarin laat
zien dat hij aan de kant van de zwakken en de weerlozen staat. Daar gaat
het om: God is anders, hij is anders dan mensen denken dat hij is. Dat
zien we als we goed kijken naar wat er staat in het evangelie over Maria
en haar nicht Elisabet.
Het is een verhaal dat, zoals zoveel andere in de
evangeliën, een totale omkering van de gebruikelijke manieren van denken
inhoudt. Lucas begint zijn evangelie met de aankondiging van de geboorte
van Johannes. Naar algemene maatstaven waren zijn ouders belangrijke
personen. Zijn aankondiging gebeurt in de tempel, terwijl het volk buiten
stond te bidden. Maria was een totaal onbekend en onbelangrijk meisje.
Haar wordt de komst van Jezus haar zoon aangekondigd in het onooglijke
Nazaret, en niemand behalve zij zelf wist ervan. Normaal zou men denken:
wie uit Elizabet zal geboren worden en zo plechtig is aangekondigd, is de
drager van een nieuwe toekomst. Maar het is net omgekeerd. Het evangelie
zet de dingen op hun kop. En Maria zelf doet dat nog eens. Dat is het
merkwaardige van het verhaal in het evangelie vandaag. Zij gaat bij
Elizabet op bezoek. Elizabet, die heeft het door. Ze reageert verrast: wat
gebeurt er nu, dat de toekomstige moeder van mijn Heer bij me op bezoek
komt en mij komt dienen?
Ja, zegt Maria, zo is het. En ze zingt haar Magnificat.
Mijn hart prijst hoog de heer. Wie dat lied in een andere context dan die
van de kerk en de liturgie zou plaatsen, kan er direct een revolutionaire
protestsong van maken. De God die door Maria hoog wordt geprezen is een
God die de heersers en machthebbers van hun troon stoot en de geringen, de
onaanzienlijken die niet meetellen, verheft. Mensen die honger hebben
overlaadt hij met gaven, maar de rijken stuurt hij weg met lege handen.
Dat is niet min! Je zou voor minder last krijgen met de politie en de
staatsveiligheid!
Als we vandaag in deze viering het Magnificat
beluisteren en het zelf ook zingen, moeten we het laten klinken als een
lied van onwankelbare hoop, van de hoop die, zoals de Franse dichter
Péguy heeft gezegd, het kleine zusje van de drie is. Ze geeft de hand aan
de twee grote dames geloof en liefde. Maar ze loopt in het midden, ze
trekt de twee andere voort. Zonder hoop houden we het geloof en de liefde
niet uit.
Als we, getrokken door de hoop, geloven in de
verrijzenis, dan durven we het riskeren te sterven om over de dood heen
voltooid te kunnen leven. Sterven versta ik dan als volgt: over jezelf
heenleven, met jezelf niet al te veel inzitten, leven voor dingen die
groter en belangrijker zijn dan jij zelf, voor medemensen. Jezelf zaaien,
je laten zaaien, zodat je ooit zult bloeien. Voorgoed. Delen in de
heerlijkheid van God. Dat is de hoop die we mogen vieren op dit hoogfeest
- het oogstfeest - van het kerkelijk jaar.
B.J. De Clercq o.p.
|
| |