Dominicanen Leuven Zondagspreken
  28 juni - dertiende zondag Afdrukken
 

Lezingen:


Wijsheid 1,13-15.2,23-24
Marcus 5,21-43

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Het leven sterker dan de dood


In een mensenleven is er één zekerheid: er zal een einde komen aan zijn of haar leven. Allen zullen we eens sterven. Dit is een zekerheid voor iedere mens die geboren wordt. Nochtans hoort de dood niet bij het leven. De dood staat haaks op het leven. De dood is een breuk, een reëel en definitief einde. Ook voor gelovige christenen.

Maar christenen geloven dat hun God aan de kant van het leven staat. Dat leven sterker is dan de dood. Dat de schepping gericht is op het leven. God wil het leven, niet de dood, zo klinkt het in de lezing uit het boek Wijsheid. Mensen die leven in trouw aan God, mensen die in het bijbelse taalgebruik ‘leven in gerechtigheid’ zullen verder leven.

Soms zeggen we dat Jezus God aan ons is komen openbaren als een zorgzame en liefdevolle Vader. Maar als dat zich concreet manifesteert in de genezing van een vrouw en de opwekking van een meisje uit de dood hebben we het er moeilijk mee. Natuurlijk zijn zowel de vrouw als dat meisje later gestorven. Ook hun aardse leven kende een einde.

We maken in het dagelijkse leven een onderscheid tussen wat wetenschappelijk bewijsbaar is en de rest, tussen wat natuurlijk is en wat bovennatuurlijk. In de tijd van Jezus kende men het onderscheid niet tussen natuurlijk en bovennatuurlijk. Een ‘wonder’ was een gebeuren met tekenwaarde, een gebeuren dat méér naar God verwees. Het konden alledaagse dingen zijn zoals de opgang of ondergang van de zon, de groeikracht van de natuur. Of de bevrijdende daden van God in de geschiedenis van zijn volk: de bevrijding en uittocht uit Egypte, de doortocht door de woestijn, de vestiging in het beloofde land. Maar ook de dingen die Jezus deed. Ongetwijfeld heeft Jezus mensen genezen. En of dit nu medisch verklaarbaar is of niet, of dit nu eerder fysisch dan psychisch was, of het ging om dood of schijndood, dit doet weinig of niets ter zake. Het gaat erover dat die genezingen voor mensen die het meemaakten een betekenis hadden. Het was voor hen een teken dat God liefdevol en zorgzaam aanwezig was, ook in hun leven. Deze mensen werden beter door hun ontmoeting met Jezus. Niet het feit van de genezing of de dodenopwekking op zich is voorwerp van geloof, wel de betekenis of de interpretatie ervan. Dat Jezus mensen genezen heeft, hoeven christenen niet te geloven. Dit is een historisch feit. Christenen geloven dat in Jezus handelen Gods zorgzame liefde voor mensen op een unieke wijze geopenbaard werd en gestalte kreeg.

In alle angst en vertwijfeling, maar vanuit een groot geloof in Jezus van Nazaret en de God van het leven die Hij verkondigt, doet Jaïrus een dringend beroep op Jezus. Het geloof van Jaïrus staat in schril contrast met het geloof van de leerlingen in het verhaal over de storm op het meer dat hieraan voorafgaat en dat we vorige zondag beluisterden. Opmerkelijk vandaag is het gebruik van een eigennaam in een wonderverhaal, maar hier is hij meer dan waarschijnlijk symbolisch bedoeld. Jaïrus betekent immers: ‘God verlicht, God doet stralen’. Het feit dat Jezus te laat komt – Hij heeft onderweg eerst een vrouw geholpen – biedt hem de kans om zijn Vader ten diepste en ten volle te openbaren. Jezus doorbreekt de vastgelopen situatie door het dode kind tot leven te wekken. Hij brengt hoop en nieuw leven waar alle hoop menselijkerwijze vervlogen is.

Een verhaal over geloof en hoop, vertrouwen en leven. Een boodschap over onze God die een God van leven is en geen mensenleven verloren laat gaan, die zorgzaam en liefdevol mensen nabij wil zijn. Het boek van een mensenleven mag bij het overlijden wel gesloten worden, maar nooit of nimmer wordt het vernietigd. Het is aan de nabestaanden en vrienden van een overledene om hem of haar verder te laten leven in hun eigen leven en in hun samenleven, als echtgenoot, als ouder of grootouder, als kind of kleinkind, als familielid, als vriend, als collega, als kennis of buur. Het is aan de ‘overblijvenden’ om de liefde die ze van een overledene ontvangen hebben onder elkaar te bewaren, en zorg te dragen voor elkaar en elkaar nabij te zijn in het voetspoor van Jezus van Nazareth. Overledenen mogen we liefdevol en zorgzaam uit handen geven en toevertrouwen aan onze God van Leven en liefde.

Laten we in deemoed en groot vertrouwen God God laten zijn. Hij heeft de naam van ieder mens geschreven in de palm van zijn hand. Hij draagt zorg voor zijn volk. Hij laat geen mensenleven verloren gaan en zijn gerechtigheid is eeuwigdurend. In dit geloof mogen wij als christenen ten volle en ten diepste hopen en vertrouwen dat het leven sterker is dan de dood. Dat onze God leven en heil wil voor alle mensen.

Wim Schreyen o.p.

Leuven, 28 juni 2009

 
   Terug