| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 28 juni - dertiende zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
In een mensenleven is er één zekerheid: er zal een
einde komen aan zijn of haar leven. Allen zullen we eens sterven. Dit is
een zekerheid voor iedere mens die geboren wordt. Nochtans hoort de dood
niet bij het leven. De dood staat haaks op het leven. De dood is een
breuk, een reëel en definitief einde. Ook voor gelovige christenen.
Maar christenen geloven dat hun God aan de kant van het
leven staat. Dat leven sterker is dan de dood. Dat de schepping gericht is
op het leven. God wil het leven, niet de dood, zo klinkt het in de lezing
uit het boek Wijsheid. Mensen die leven in trouw aan God, mensen die in
het bijbelse taalgebruik ‘leven in gerechtigheid’ zullen verder leven.
Soms zeggen we dat Jezus God aan ons is komen openbaren
als een zorgzame en liefdevolle Vader. Maar als dat zich concreet
manifesteert in de genezing van een vrouw en de opwekking van een meisje
uit de dood hebben we het er moeilijk mee. Natuurlijk zijn zowel de vrouw
als dat meisje later gestorven. Ook hun aardse leven kende een einde.
We maken in het dagelijkse leven een onderscheid tussen
wat wetenschappelijk bewijsbaar is en de rest, tussen wat natuurlijk is en
wat bovennatuurlijk. In de tijd van Jezus kende men het onderscheid niet
tussen natuurlijk en bovennatuurlijk. Een ‘wonder’ was een gebeuren
met tekenwaarde, een gebeuren dat méér naar God verwees. Het konden
alledaagse dingen zijn zoals de opgang of ondergang van de zon, de
groeikracht van de natuur. Of de bevrijdende daden van God in de
geschiedenis van zijn volk: de bevrijding en uittocht uit Egypte, de
doortocht door de woestijn, de vestiging in het beloofde land. Maar ook de
dingen die Jezus deed. Ongetwijfeld heeft Jezus mensen genezen. En of dit
nu medisch verklaarbaar is of niet, of dit nu eerder fysisch dan psychisch
was, of het ging om dood of schijndood, dit doet weinig of niets ter zake.
Het gaat erover dat die genezingen voor mensen die het meemaakten een
betekenis hadden. Het was voor hen een teken dat God liefdevol en zorgzaam
aanwezig was, ook in hun leven. Deze mensen werden beter door hun
ontmoeting met Jezus. Niet het feit van de genezing of de dodenopwekking
op zich is voorwerp van geloof, wel de betekenis of de interpretatie
ervan. Dat Jezus mensen genezen heeft, hoeven christenen niet te geloven.
Dit is een historisch feit. Christenen geloven dat in Jezus handelen Gods
zorgzame liefde voor mensen op een unieke wijze geopenbaard werd en
gestalte kreeg.
In alle angst en vertwijfeling, maar vanuit een groot
geloof in Jezus van Nazaret en de God van het leven die Hij verkondigt,
doet Jaïrus een dringend beroep op Jezus. Het geloof van Jaïrus staat in
schril contrast met het geloof van de leerlingen in het verhaal over de
storm op het meer dat hieraan voorafgaat en dat we vorige zondag
beluisterden. Opmerkelijk vandaag is het gebruik van een eigennaam in een
wonderverhaal, maar hier is hij meer dan waarschijnlijk symbolisch
bedoeld. Jaïrus betekent immers: ‘God verlicht, God doet stralen’.
Het feit dat Jezus te laat komt – Hij heeft onderweg eerst een vrouw
geholpen – biedt hem de kans om zijn Vader ten diepste en ten volle te
openbaren. Jezus doorbreekt de vastgelopen situatie door het dode kind tot
leven te wekken. Hij brengt hoop en nieuw leven waar alle hoop
menselijkerwijze vervlogen is.
Een verhaal over geloof en hoop, vertrouwen en leven.
Een boodschap over onze God die een God van leven is en geen mensenleven
verloren laat gaan, die zorgzaam en liefdevol mensen nabij wil zijn. Het
boek van een mensenleven mag bij het overlijden wel gesloten worden, maar
nooit of nimmer wordt het vernietigd. Het is aan de nabestaanden en
vrienden van een overledene om hem of haar verder te laten leven in hun
eigen leven en in hun samenleven, als echtgenoot, als ouder of grootouder,
als kind of kleinkind, als familielid, als vriend, als collega, als kennis
of buur. Het is aan de ‘overblijvenden’ om de liefde die ze van een
overledene ontvangen hebben onder elkaar te bewaren, en zorg te dragen
voor elkaar en elkaar nabij te zijn in het voetspoor van Jezus van
Nazareth. Overledenen mogen we liefdevol en zorgzaam uit handen geven en
toevertrouwen aan onze God van Leven en liefde.
Laten we in deemoed en groot vertrouwen God God laten
zijn. Hij heeft de naam van ieder mens geschreven in de palm van zijn
hand. Hij draagt zorg voor zijn volk. Hij laat geen mensenleven verloren
gaan en zijn gerechtigheid is eeuwigdurend. In dit geloof mogen wij als
christenen ten volle en ten diepste hopen en vertrouwen dat het leven
sterker is dan de dood. Dat onze God leven en heil wil voor alle mensen.
Wim Schreyen o.p.
Leuven, 28 juni 2009 |
| |