| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 9 november - Kerkwijding |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Tempelreiniging De liturgische kalender vraagt ons dat
we vandaag de wijding van de Romeinse basiliek van Sint-Jan van
Lateranen vieren. Maar welke goede redenen zijn er om van de inwijding
van een kerk in Rome, 17 eeuwen geleden, vandaag nog een verplicht feest
te maken? De officiële reden staat in grote letters op het
voorportaal van de basiliek in kwestie te lezen: 'Moeder en hoofd van alle kerken in de stad Rome en de
hele wereld'. Toen keizer Constantijn zich in 313 tot het christendom
had bekeerd, heeft hij zijn paleis, oorspronkelijk eigendom van de familie Laterani, aan de paus cadeau gedaan en daarnaast een kerk laten bouwen. Ze
kreeg de titel van 'moeder van alle kerken'. Toen ook werd het christendom
tot staatsgodsdienst verklaard. De christenen werden alsmaar talrijker en
ze hadden steeds meer kerken nodig, aparte gebouwen voor de eredienst die
in de plaats kwamen van de huiskerkjes die veel te klein waren geworden.
Maar sinds de pausen naar het Vaticaan zijn verhuisd,
is de Lateraanse moederkerk helemaal in de schaduw gedrongen door de
reusachtige Sint-Pietersbasiliek. Dat is de kerk die de hele
rooms-katholieke kerk verbeeldt waarover ik in mijn jeugd heb leren
zingen: "O moederkerk van Rome, zo machtig en zo groot, van alle kanten
stromen de volken in uw schoot." Die kerk komt ook altijd in beeld op de
tv als er een publiek optreden van de paus wordt getoond. Een vriendelijk
ogende, bijwijlen streng vermanende oude man, tegen de achtergrond van een
majestueuze gevel waarachter massa's toeristen zich vergapen aan de
kolossale pracht en praal daterend uit vervlogen tijden. Het beeld van een
kerk met nog altijd een indrukwekkende façade, maar die meer en meer aan
het verschrompelen lijkt te zijn. Een beeld dat soms pijn kan doen aan de
ogen.
Het is een bijna heiligschennende gedachte, maar toch
kwam ze bij me op toen ik het evangelie van dit feest had gelezen. Het zou
misschien kunnen gebeuren dat er een profetische ‘tempelreiniger’ komt,
iemand die in Jezus' naam grote schoonmaak komt houden, die het volk van
het Sint-Pietersplein wegjaagt, de koopwaar in de souvenir- en andere
winkels aan de boorden van het plein van de toontafels veegt en hun
geldbakken en kredietkaartenmachines omver kiepert. Breek die tempel af!
Er moet een andere uit de grond herrijzen! De kans is groot dat die
profeet onmiddellijk in de gevangenis geraakt. De hele wereld zou schande
van hem spreken, zonder dat over zijn boodschap wordt nagedacht.
Die boodschap is nochtans niet mis te verstaan. We
hebben nood aan een grote schoonmaak. We moeten ons kerkbeeld uitzuiveren.
Het kan niet meer het beeld van de kerk zijn zoals ze op de
televisieschermen verschijnt. De kerk bestaat alleen in het meervoud, in
zeer veel en zeer verscheiden gestalten en gedaanten, overal waar mensen
gemeenschap vormen in naam en omwille van het christelijk geloof en de
levenspraktijk die ze met elkaar delen. Ze zijn wel verticaal verbonden
met Rome, het overkoepelende centrum, en dat markeert hun eenheid. Maar
het echte leven zit in de horizontale bindingen tussen gemeenschappen op
dezelfde golflengte.
Ten tweede, we moeten ons vragen stellen over onze
kerkgebouwen. Kerken noemt men vaak een huis van God, een plaats waar God
onder de mensen woont. Maar God woont natuurlijk niet in kerken, je kunt
daar niet bij hem aan huis op bezoek komen. God woont in de hemel. Kerken
zijn gewijde ruimten: gewijd, dit wil zeggen bestemd en ingericht,
opgesmukt ook, om te dienen als de plaats waar gelovigen samenkomen om als
gemeenschap te bidden, de heilige Schrift te beluisteren en te bespreken,
de cruciale levensmomenten te heiligen door de verheerlijkte Christus in
sacramentele tekenen aanwezig te stellen. Als plaatsen ook waar je kunt
binnentreden om er een gewijde stilte te vinden, op je eentje na te denken
en te bidden. Zulke plaatsen hebben we in elk geval nodig.
Een schoonmaak is nodig, want veel kerken kunnen niet
meer dienen waarvoor ze werden gebouwd. Er zijn er veel die niet meer
worden gebruikt. Ze zijn gesloten en staan te vervallen. We staan voor de
zware opdracht om te zoeken naar een passende herbestemming van een
groeiend aantal kerken. Als voor een kerkgebouw onmogelijk een nieuwe
bestemming is te vinden, en het heeft geen artistieke of historische
waarde, kunnen we het dan niet beter afbreken? Het is een pijnlijke, maar
onontwijkbare vraag.
Zeker niet te ontwijken is de vraag hoe we een nieuw
soort gewijde ruimten kunnen bouwen en inrichten, op de maat van de
gemeenschappen waarvoor hun kerk een aantal maten te groot is geworden.
Dat is niet in de eerste plaats een vraag naar bekwame, creatieve
architecten. Het is eerst en vooral een theologische vraag. Een prachtig
lied van Oosterhuis bezingt zo’n ruimte als ‘zomaar een dak boven wat
hoofden’. Ze is een ‘deur die naar stilte openstaat’. Ze heeft ‘muren van
huid, ramen als ogen, speurend naar hoop en dageraad’. Ze is een ‘huis dat
een levend lichaam wordt als wij er binnengaan om recht voor God te staan’
(Zingt jubilate 735).
Een leidraad kan de vraag zijn die Paulus aan de
Korintiërs heeft gesteld. "Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de
geest van God in u woont?" De echte tempel, die we in geen geval mogen
afbreken of laten verkommeren, is de levende gemeenschap van de gelovigen
zelf, de gemeenschap waarvan Christus de hoeksteen is. Het stenen gebouw
waarin ze haar leven gestalte geeft zal niet ‘zomaar een dak boven wat
hoofden’ kunnen zijn. Het mag haar vitaliteit niet fnuiken, het moet ze
bevorderen, duidelijk zichtbaar maken voor iedereen die er binnenkomt.
Haar vitaliteit. moet er kunnen in openbloeien.
B.J. De Clercq o.p. |
| |