Dominicanen Leuven Zondagspreken
  16 november - drie-endertigste zondag Afdrukken
 

Lezingen:


1 Spreuken 31,10-13.19-20.30-3

1 Tessalonicenzen 5,1-8
Matteüs 25,14-30

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 


Maak wat van het leven dat God je geeft


Het voorstel dat de heer uit het evangelie aan de slechte dienaar deed, klinkt wat eigenaardig op onze dagen. Stel u voor dat die dienaar zijn talent – en let wel: een talent was zowat 41 kg. zilver waard - belegd had bij Fortis en dan met lege handen voor de Heer had gestaan! Wat zou die heer dan gezegd hebben?
In de context van het evangelie geloof ik niet dat die heer hem dan zou veroordelen, tenzij de man gewoon onbesuisd had gehandeld. Want de talenten die de heer aan zijn dienaren toevertrouwt zijn juist als een uitdaging bedoeld. Met die heer is immers God zelf bedoeld, en de talenten betekenen hier geen som geld, maar de verwachtingen die de Heer in ons stelt, met alle risico's daarbij. Weliswaar krijgen we onze levensopdracht, "ieder naar zijn bekwaamheid", zoals het evangelie zegt. Vandaar dat de één vijf, de andere twee, en de derde één talent te verwerken kreeg. We mogen er dus gerust in zijn dat we niet boven onze krachten zullen beproefd worden, maar of het ons allemaal zo mooi zal gelukken als bij de eerste twee dienaars is lang niet zeker. De uitdaging ligt erin dat we het aandurven te leven.

Wat de heer uit het evangelie aan de dienaar met het éne talent verwijt is juist diens gebrek aan durf, diens bangheid. 'Ik was bang' zei de man zelf en vandaar zijn aarzeling, zijn inertie, zijn gebrek aan ondernemingswil (allemaal ideeën die begrepen liggen in het Griekse woordje dat in onze vertaling door ‘lui’ wordt weergegeven).

God neemt het ons kwalijk dat we bang zijn. Hij wil immers dat we Hem vertrouwen. En de slechte dienaar had een verkeerd beeld van zijn heer: hij noemde hem zelfs onrechtvaardig en hard. Meteen kunnen we ons de vraag stellen of we God als een strenge en hardvochtige heer beschouwen en dus met schrik voor Hem leven, dan wel Hem vertrouwen en blijmoedig het leven aangaan dat Hij ons schenkt. Want het is vanuit dat vertrouwen, vanuit die eenheid met Hem dat we ook betrouwbaar zullen handelen: het is immers zijn opdracht, zijn plan dat Hij ons vraagt te verwezenlijken en waarvoor Hij ons het leven schenkt. Dat is dan ook de reden waarom de eerste twee dienaars als ‘getrouwe’ knechten geprezen worden. De trouw van hun heer beantwoordden zij met hun trouw aan hun opdracht. En is die dubbele getrouwheid niet de kern van ons geloof en ons gelovig leven?

Want geloof zonder de werken is dood (cfr. Jakobus.2,14vv). De Heer verwacht dat we vanuit ons godsvertrouwen aan het werk schieten, dat we doende mensen zijn, zoals de sterke vrouw over wie de eerste lezing het had. Zij was druk in de weer vanuit haar 'vreze des Heren'. En u weet dat die vreze des Heren niets te maken heeft met schrik of wantrouwen. Integendeel, zij is het gevolge van de verwachting die we koesteren bij de Heer, en die ons aanzet met Hem mee te werken aan ons heil.

De parabel van Jezus staat trouwens in het teken van de heilsverwachting. Net voor de perikoop die we gelezen hebben had Jezus nog gezegd: "Weest waakzaam, want u kent dag noch uur." En de komst van de Heer gebeurt onverwachts, "als een dief in de nacht" zegt Sint-Paulus. Het feit dat de Heer nog "een hele tijd" wegblijft, zoals het evangelie schijnt te suggereren, mag dus geen reden zijn om bij de pakken te gaan neerzitten. Want als we dat doen, zijn we, volgens Paulus, kinderen der duisternis: die zien niet op naar de Heer, die verwachten geen verlichting. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Heer in het evangelie de slechte knecht naar het duister terugwijst.

Gelovige mensen daarentegen zijn kinderen van het licht. Het zijn hoopvolle mensen. Ze weten dat hun loon niet karig zal zijn, hoe weinig vermogen ze ook hebben. Want bij de toekenning van dat loon houdt de evenredigheid 'naar ieders bekwaamheid' op. Of we nu één of twee of vijf of tien talenten meekregen: ze zijn 'weinig' zoals het evangelie  zegt, in vergelijking met het vele waarover de Heer ons zal aanstellen. Want dat vele kent geen maat en is daarom voor alle trouwe dienaars gelijk. Waaruit dat vele bestaat, verklaart de heer met de woorden: "ga binnen in de vreugde van uw heer".

Jezus houdt ons deze parabel dus voor opdat we zouden leven zoals Hij het voordeed: betrouwbaar en werkzaam, levend in contact met de Vader die Hem – en ons -gezonden heeft, klaar om bij het einde van ons aards bestaan opgenomen te worden in de vreugde van God zelf. Trachten we ernaar 'goede en getrouwe' dienaars te zijn, ook al lijkt de Heer een tijdje weg te blijven. Als we in Hem geloven, weten we dat Hij achter ons staat en dat we kunnen verwezenlijken wat Hij van ons vraagt, ieder naar onze eigen mogelijkheden.

Joris Backeljauw o.p.

 
   Terug