| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 16 november - drie-endertigste zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
Het voorstel dat de heer uit het evangelie aan de
slechte dienaar deed, klinkt wat eigenaardig op onze dagen. Stel u voor
dat die dienaar zijn talent – en let wel: een talent was zowat 41 kg.
zilver waard - belegd had bij Fortis en dan met lege handen voor de Heer
had gestaan! Wat zou die heer dan gezegd hebben? Wat de heer uit het evangelie aan de dienaar met het
éne talent verwijt is juist diens gebrek aan durf, diens bangheid. 'Ik was
bang' zei de man zelf en vandaar zijn aarzeling, zijn inertie, zijn gebrek
aan ondernemingswil (allemaal ideeën die begrepen liggen in het Griekse
woordje dat in onze vertaling door ‘lui’ wordt weergegeven).
God neemt het ons kwalijk dat we bang zijn. Hij wil
immers dat we Hem vertrouwen. En de slechte dienaar had een verkeerd beeld
van zijn heer: hij noemde hem zelfs onrechtvaardig en hard. Meteen kunnen
we ons de vraag stellen of we God als een strenge en hardvochtige heer
beschouwen en dus met schrik voor Hem leven, dan wel Hem vertrouwen en
blijmoedig het leven aangaan dat Hij ons schenkt. Want het is vanuit dat
vertrouwen, vanuit die eenheid met Hem dat we ook betrouwbaar zullen
handelen: het is immers zijn opdracht, zijn plan dat Hij ons vraagt te
verwezenlijken en waarvoor Hij ons het leven schenkt. Dat is dan ook de
reden waarom de eerste twee dienaars als ‘getrouwe’ knechten geprezen
worden. De trouw van hun heer beantwoordden zij met hun trouw aan hun
opdracht. En is die dubbele getrouwheid niet de kern van ons geloof en ons
gelovig leven?
Want geloof zonder de werken is dood (cfr.
Jakobus.2,14vv). De Heer verwacht dat we vanuit ons godsvertrouwen aan het
werk schieten, dat we doende mensen zijn, zoals de sterke vrouw over wie
de eerste lezing het had. Zij was druk in de weer vanuit haar 'vreze des
Heren'. En u weet dat die vreze des Heren niets te maken heeft met
schrik of wantrouwen. Integendeel, zij is het gevolge van de verwachting
die we koesteren bij de Heer, en die ons aanzet met Hem mee te werken aan
ons heil.
De parabel van Jezus staat trouwens in het teken van de
heilsverwachting. Net voor de perikoop die we gelezen hebben had Jezus nog
gezegd: "Weest waakzaam, want u kent dag noch uur." En de komst van de
Heer gebeurt onverwachts, "als een dief in de nacht" zegt Sint-Paulus.
Het feit dat de Heer nog "een hele tijd" wegblijft, zoals het evangelie
schijnt te suggereren, mag dus geen reden zijn om bij de pakken te gaan
neerzitten. Want als we dat doen, zijn we, volgens Paulus, kinderen der
duisternis: die zien niet op naar de Heer, die verwachten geen
verlichting. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Heer in het
evangelie de slechte knecht naar het duister terugwijst.
Gelovige mensen daarentegen zijn kinderen van het
licht. Het zijn hoopvolle mensen. Ze weten dat hun loon niet karig zal
zijn, hoe weinig vermogen ze ook hebben. Want bij de toekenning van dat
loon houdt de evenredigheid 'naar ieders bekwaamheid' op. Of we nu één of
twee of vijf of tien talenten meekregen: ze zijn 'weinig' zoals het
evangelie zegt, in vergelijking met het vele waarover de Heer ons zal
aanstellen. Want dat vele kent geen maat en is daarom voor alle trouwe
dienaars gelijk. Waaruit dat vele bestaat, verklaart de heer met de
woorden: "ga binnen in de vreugde van uw heer".
Jezus houdt ons deze parabel dus voor opdat we zouden
leven zoals Hij het voordeed: betrouwbaar en werkzaam, levend in contact
met de Vader die Hem – en ons -gezonden heeft, klaar om bij het einde van
ons aards bestaan opgenomen te worden in de vreugde van God zelf.
Trachten we ernaar 'goede en getrouwe' dienaars te zijn, ook al lijkt de
Heer een tijdje weg te blijven. Als we in Hem geloven, weten we dat Hij
achter ons staat en dat we kunnen verwezenlijken wat Hij van ons vraagt,
ieder naar onze eigen mogelijkheden.
Joris Backeljauw o.p. |
| |