Dominicanen Leuven Zondagspreken
  2 november - Allerzielen Afdrukken
 

Lezingen:


Wijsheid 3,1-6
Johannes 11,17-27

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

In Gods handen


Uit het boek Wijsheid hoorden we voorlezen dat de Heer God aan zijn uitverkorenen genade schenkt en barmhartigheid, en dat hij waakt over zijn geliefden. In het evangelie zei Jezus tot Maria, de zus van Lazarus: ‘Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?’ God waakt over zijn geliefden en Jezus zegt: ieder die in mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven. Onze gestorvenen zijn in Gods handen. Is dat niet een levensnabije, gelovige omschrijving van een leven over de dood heen? Is dat niet een gelovige omschrijving van de hemel: onze gestorvenen zijn in Gods handen? Maar wat betekent dat?

Ik wil bij Theresia van Lisieux enkele gedachten over de hemel en het leven na de dood bij elkaar brengen. Zij lijkt me daarover verfrissende ideeën te hebben.
Op het einde van haar leven werd z overvallen door grote twijfels over wat de hemel wel kon zijn. In de laatste twee jaar van haar korte leven - zij stierf op vierentwintigjarige leeftijd - kon ze niet meer geloven in de hemel als een plaats waar we zouden genieten van de zalige aanschouwing van God, zonder dat we ons zouden moeten bekommeren om de mensen die God niet kennen en hem misschien zelfs loochenen. De godloochenaars die in haar tijd - ze leefde van 1873 tot 1897 - sterk in aantal toenamen, dwongen haar daartoe. Maar zij was diep doordrongen van de liefde van God voor alle mensen, ook voor de zondaars en de Godloochenaars. Van zichzelf zei ze: ook al had ik alle zonden van de wereld bedreven, dan nog zou ik me vol overgave en vertrouwen in de armen van de liefdevolle God werpen. In haar ogen mochten ook de zondaars dat doen.

Theresia leert ons dat we alle angst voor God moeten laten varen. Ze zegt: niemand weet of hij rechtvaardige of zondaar is. Geen enkel mens mag een ander veroordelen. Zelf laat ze haar fouten aan God over. Ze gaat naar God met de mechanische lift van de genade en niet langs de harde trap van de vrees voor God. De lift in gebouwen was een uitvinding van haar tijd. Ze hoopte bovendien dat ze in de hemel de kans zou krijgen om zich nog met het geluk van ongelukkige mensen op aarde bezig te blijven houden. Ook daar nog wou ze Gods liefde naar de mensen op aarde brengen

Niet enkel wou zij Gods liefde naar de aarde brengen, maar ze verlangde ook dat God zijn eigen liefde voor de anderen in haar hart zou storten, zodat zij met de liefde van God zelf haar broeders - ook de zondaars en Godloochenaars - zou kunnen beminnen. Voor hen wou ze dan ook lijden op zich nemen. Want blijkbaar wint men ook het geluk van mensen door lijden voor hen op zich te nemen. Zij vraagt zich zelfs af, hoe zij in de hemel gelukkig zou kunnen zijn zonder te lijden voor anderen. Zeggen ook wij niet, dat we eigenlijk ten diepste van iemand houden, als we erin slagen voor hem of haar te lijden?

Voor Theresia van Lisieux is de hemel de toestand waar de mensen door de liefdegloed van God innerlijk worden omgevormd om voor de mensen op aarde zelfs lijden op zich te kunnen nemen. Nee, de hemel is geen plaats waar we alleen maar van God genieten. Het leven over de dood heen is nog een leven voor God en de anderen. Want wij en zij hebben dat nodig. Vanuit dit vermoeden heeft Theresia van Lisieux ondanks haar twijfels over hemel en God kunnen standhouden in haar geloof. In de duisternis bleef God aanwezig.

Wij moeten ons sterker bewust zijn dat God er altijd al is. Theresia laat God zeggen: ik ben de heiligen - en dat wil zeggen: de mensen - meer verschuldigd dan het paradijs, meer dan de schatten van mijn kennis, ik ben hun mijn leven verschuldigd, mijn natuur, mijn eeuwige en oneindige substantie. Het leven van God en zijn substantie zijn zijn onverwoestbare liefde voor de mensen, die Hij onvermoeibaar opzoekt en aan zich probeert te binden. Hij kan niet anders. Hij moet ons bij zich

Wij zijn in de handen van God en van onze gestorvenen, die uit kracht van God om ons blijven begaan zijn.

Jaak Vandenbulcke o.p.

 
   Terug