| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 12 oktober - achtentwintigste zondag |
|
|
Lezingen:
|
|||
|
De feestelijkheid van het leven Jezus hield van feesten, dat lezen we op veel plaatsen
in het evangelie. Als hij werd uitgenodigd ging hij daar gaarne op in en
zijn aanwezigheid op een feest bleef dikwijls niet onopgemerkt. Opvallend
is ook dat hij gaarne greep naar het beeld van een feestmaal als hij zijn
toehoorders duidelijk wilde maken wat hij bedoelde met Gods koninkrijk dat
aan het komen was. Waar Gods wil komt heersen, heerst de vreugde van een
feest. Maar je moet wel op de uitnodiging ingaan en aan het feest willen
deelnemen. Iedereen zonder onderscheid is welkom, maar er zijn mensen die
er geen zin in hebben. Het feest gaat aan hen voorbij. Een vriend zei me onlangs: 'Nee, ik was er niet bij op
dat huwelijksfeest. Ik heb een smoesje verzonnen om niet te moeten komen.
Onze zoon heeft pas een vechtscheiding achter de rug en ik ben er kapot
van. Je zult het wel begrijpen: op feesten zal je me een hele tijd niet
meer zien verschijnen.'
Er zijn mensen die een hekel hebben aan feesten. Ze
beschouwen het als tijd- en geldverspilling. Ze vinden dat het leven, in
elk geval hun eigen leven, veel te serieus is en vaak te triest om wat dan
ook feestelijk te vieren. Ze hebben dan ook geen boodschap aan bijbelse
beeldverhalen over God die een heerlijk feestmaal aanbied aan allen die
willen komen.
In het evangelie gaat het over een koninklijk
bruiloftsfeest. Het dreigde in het water te vallen. De genodigden die de
koning tot twee keren toe liet roepen, lieten allemaal verstek gaan omdat
ze andere dingen belangrijker vonden. Maar de koning bleef volhouden. De
bruiloft van zijn zoon moest toch gevierd worden! Hij stuurde zijn
bedienden naar de straten en pleinen van de stad om iedereen uit te
nodigen die ze tegenkwamen. En ze kwamen, mensen van allerlei slag, zomaar
van de straat geplukt. Een stampvolle feestzaal. En dan gebeurde er iets
merkwaardigs. Als de koning binnenkwam om zijn gasten te begroeten, zei
hij tegen iemand: wat kom jij hier doen? Je bent er niet op gekleed, dus
hier niet op je plaats. De man zei geen woord om zich te verdedigen. Gaf
hij de koning misschien stilzwijgend gelijk? Hij werd hardhandig
buitengegooid.
Zoiets ongerijmds is onmogelijk te begrijpen als we het
letterlijk verstaan. Waar had die man een feestkleding vandaan moeten
halen, en waren de andere gasten dan wel feestelijk gekleed? Het ging niet
om de kleding maar om de gezindheid. Als je naar een feest gaat, moet je
er echt aan deelnemen en bijdragen tot de feestelijk stemming. Je mag geen
muurbloempje of bankzitter spelen.
Mensen die zich christen noemen zouden een
aanstekelijke feestvreugde moeten uitstralen. Maar er zijn er bij daar
weinig of niets van te merken valt. Muurbloempjes, bankzitters. Ze blijven
stom als vissen als er gezongen wordt. Ze lijken op de man die niet
gekleed was voor het feest.
De feestkleding waarover het gaat is het kleed van de
nieuwe mens dat christenen moeten aantrekken. Er wordt over gesproken in
een aantal Paulusbrieven. 'Trek de nieuwe mens aan, naar het beeld van God
geschapen in waarachtige rechtvaardigheid en heiligheid. Kleed u vooral in
de liefde. Dan is er onder u geen sprake meer van Grieken of Joden, van
besneden of onbesneden mannen, van barbaren of slaven of vrije mensen' (vgl.
Efesiërs 4,24: Kolossenzen 3,10-11.14).
Waar christenen in het kleed van de nieuwe mens die ze
hebben aangetrokken met elkaar omgaan, steken ze elkaar aan met
feestelijke vreugde. Ze delen die feestelijkheid met hen die in de parabel
van de straat werden geplukt om naar het feestmaal te komen. Met mensen
van welke herkomst en afkomst ook en door hoe veel kommer en kwel ze ook
worden geplaagd. Het feestkleed van de nieuwe mens dat ze dragen legt een
mantel over alle verschillen. Ze investeren in feestvreugde. Ze bouwen mee
aan een wereld die in de evangelies Gods koninkrijk wordt genoemd. Een
wereld van mensen die elkaar opbeuren, oprichten uit verdriet en
verlamming, elkaar inspireren en over dode punten heen helpen. Ze vieren
het leven. Ook een leven getekend door pijn, ellende en verdriet is te
kostbaar om het niet te vieren.
Kerkgangers zijn per definitie feestgangers. Ze vieren
de zondag en tussendoor een groot aantal feesten. In een kerkelijke
uitvaart wordt zelfs het leven van een mens die gestorven is nog gevierd.
Hebt u ooit een eucharistieviering van Congolese christenen gezien en
gehoord? Echt om jaloers op te zijn. Ons ligt dat soort uitbundigheid
niet. Maar ook een ingetogen viering kan feestelijk zijn. We moeten niet
noodzakelijk plechtig doen om uiting te geven aan de feestelijke
gezindheid die we met elkaar delen. Ze zou ook zichtbaar moeten blijven
als we de kerkdeur achter ons dichttrekken. Ik zou durven zeggen: ze moet
nog afstralen van ons gezicht. Dan kan het gebeuren dat iemand die we
tegenkomen ons zegt: je ziet er vandaag stralend uit. En we antwoorden:
ja, ik kom van een feest.
B.J De Clercq o.p. |
| |