Dominicanen Leuven Zondagspreken
  28 september - Zesentwintigste zondag Rechtstreeks afdrukken
 

Lezingen:


Ezechiël 18,25-28
Filippenzen 2,1-11
Matteüs 21,28-32.

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Zich bekeren tot een 'ja'


"Zich verdiepen in Christus begint met stilte", zegt Bonhoeffer.
We staan er niet zo bij stil, maar Jezus was niet altijd zo zachtmoedig als doorgaans gepredikt wordt. Als Jezus zag dat men God en de eredienst misbruikte voor eigen winstbejag, kon hij bikkelhard zijn.

Al de vier evangelisten verhalen uitvoerig de tempelreiniging. Als je deze teksten rustig leest, dan moet je besluiten dat het er niet zacht aan toegegaan is. Door deze brutale daad van Jezus konden vooral de hogepriesters Jezus bloed wel zien vloeien en op verschillende manieren hebben ze dan ook geprobeerd Jezus te grijpen om hem uit de weg te ruimen. Immers door de eredienst, zoals die er toen aan toeging, te misprijzen en te willen vernietigen zouden de hogepriesters heel wat inkomsten moeten derven. (Men schat dat 20.000 mensen er direct profijt uit haalden.)

Niet alleen in zijn daden maar ook in zijn woorden kon Jezus ongemeen scherp zijn. Je moet het maar durven en doen: de kerkelijke gezagsdragers uitmaken voor huichelaars en wit gekalkte graven (Matteüs 23,27-32) – laten we het eerlijk toegeven – het staat allemaal niet zo fraai. Jezus moest zeker niet onder doen voor Johannes de Doper die hen uitmaakte voor addergebroed omdat ze weigerden vruchten voort te brengen die passen bij bekering (Matteüs 3,7-8).

Voor vee hogepriesters, priesters, schriftgeleerden en Farizeeën is Jezus zeker een doorn in het oog geweest.

Jezus kon blijkbaar reageren op een brutale en directe wijze maar ook op een fijnzinnige wijze zoals vandaag in het evangelie.
Op de vraag van de hogepriesters en de oudsten met welk gezag Jezus sprak en handelde vertelde hij een gelijkenis van twee broers.

Door deze gelijkenis te vertellen hoopte Jezus dat een goede verstaander maar een half woord nodig zouhebben  om zijn boodschap te verstaan en dat de toehoorders voor wie het schoentje paste het zouden  aantrekken.
En de hogepriesters en schriftgeleerden trokken het schoentje aan. Zij begrepen maar al te goed dat zij de zoon waren die ‘ja’ had gezegd maar die niet naar de wijngaard van de Heer was gegaan.

Sinds de tijd van de profeten keken zij en heel het joodse volk vol verlangen uit naar de Messias die zou komen om hen te verlossen. Zij beaamden en zegden volop ‘ja’ aan wat er geschreven stond over de Messias die komen moest, maar wanneer de Messias onder hen aanwezig was zegden ze ‘neen’.
Heel anders was het gesteld met de belastingontvangers, de soldaten en de ontuchtige vrouwen. Door hun gedrag leefden ze niet overeenkomstig de geboden van God en was hun antwoord om te werken in de wijngaard van de Heer een ‘neen’. Maar door het woord van Johannes de Doper en vooral door de daden en de woorden van Jezus kwamen ze tot inkeer en zegden ze ‘ja’, of met andere woorden: ze geloofde dat Jezus’ woorden en daden van God kwamen en dat hij de Messias, de gezalfde was.

Zij geloofden dat met Johannes de Doper en met Jezus de messiaanse tijd aangebroken was waar doven hoorden, blinden zagen en aan armen de blijde boodschap verkondigd werd. Zij geloofden dat God een barmhartige God is. In Jezus zagen zij Gods barmhartigheid aan het werk. Daarom waren ze bereid tot inkeer te komen en te werken in de wijngaard van de Heer. Zij geloofden dat Jezus met gezag sprak, dat hij de Messias was, de zoon van de levende God. En door dit te geloven werden ze zelf zonen en dochters van een barmhartige God die hun zwakheid ter hulp kwam. *

Mensen die waarlijk geloven, erkennen nederig tegenover God hun beperktheden en zwakheden, maar tevens ervaren ze Gods barmhartigheid en voelen ze zich door hem aanvaard en weten zich geborgen bij hem. Ongelovigen kunnen in het beste geval zelfvoldaan groot gaan op hun goede daden en prestaties, maar uiteindelijk staan ze alleen in het leven, een leven dat ze stoïcijns dragen of cynisch verdragen, maar dat steeds eindigt met leegte en zinloosheid.

Elk verhaal dat Jezus vertelt gaat ook over ons. Vandaag vertelde Jezus ons het verhaal van een vader die twee kinderen had. De keuze is aan elk van ons.
Volgen we het kind dat tot inkeer kwam of volgen we het kind dat ‘ja’ zegde maar dat uiteindelijk ‘neen’ gaf op de plaats van afspraak.
In deze gelijkenis is geen sprake van oudste of jongste zoon.

(*) "Als je u niet bekeert en wordt als kinderen, zult je het rijk der hemelen niet binnengaan" (Mateüs 18,3)

E. Costermans o.p.

 
   Terug