| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 10 augustus - Negentiende zondag |
|
|
Lezingen:
1 Koningen 19,9.11-13
|
|||
|
Gods aanwezigheid We weten het allemaal: Jezus is de ‘Immanuel’ zijn,
waarover de profeet Jesaja spreekt en Immanuel betekent ‘God met ons’.
Maar we zien God niet, en vaak lijkt het ons alsof God geheel afwezig is,
niet alleen in ons leven, maar in heel het reilen en zeilen van vele
mensen en zelfs van de Kerk. Waar is Hij dan? Hoe kunnen wij Hem vinden?
Toen de profeet Elia vernomen had dat Izebel, de vrouw
van de goddeloze koning Achab, hem wilde laten vermoorden, ging hij op de
vlucht, en het werd hem alles te veel. "Hij verlangde te sterven", zegt de
Schrift (1Koningen 19,4), maar Jahwe liet hem niet los, beval hem te eten
en zijn tocht voort te zetten. En Elia loopt naar de berg – symbool van
godontmoeting - in de hoop God daar te zien.
En wat ervaart hij? Een storm, een aardbeving, een
vuur… het gaat allemaal vóór Jahwe uit, zegt de Schrift, maar God is er
niet in aanwezig. En dan komt dat suizen van die stille bries…. Was God in
die bries aanwezig? Dat zegt de Schrift niet. Wellicht suggereert de
Schrift eerder dat in onszelf storm en vertwijfeling moeten bedaard zijn,
om God te kunnen ervaren. Want God leeft in ons, maar Hij kan ons maar
aanspreken als wij het stil maken en luisteren en bereid zijn te leven
zoals Hij dat wil, diep gelovend dat al wat wij doen in zijn naam zin
heeft en uitkomst.
Zo hoorden wij in de tweede lezing hoe Paulus er onder
lijdt, dat de Joden Christus niet erkennen, terwijl toch Gods handelen in
de geschiedenis van het volk Israel heeft plaats gevonden, , om tenslotte
ten volle onder ons aanwezig te zijn in Christus die – zoals Paulus het
zei– "naar het vlees uit de Israëlieten is voortgekomen". Maar de Joden
aanvaardden hem niet, vol als ze waren van hun eigen godsopvattingen.
En ook ons moet misschien nog de vermaning van Johannes
de Doper herhaald worden: waar hij, doelend op Jezus, zei: "Onder u staat
hij die gij niet kent" (Johannes 1,26).
Trouwens wordt zo'n zelfde gevoelen van godverlatenheid
en wanhoop niet weergegeven in de angst van de apostelen die Jezus als een
schim over het woelige water zien komen? Ze konden hem niet herkennen
omdat ze zelf te angstig waren, te bang nu Hij hen alleen op de boot het
water had ingestuurd. Alleen zijn kalmerend woord "Ik ben het" verstomt
hun verbijstering en lokt bij Petrus zelfs de vraag uit naar een
miraculeuze bevestiging. Doch die komt er alleen als je écht gelooft.
Ons wordt dus gevraagd echt te geloven dat God mèt ons
is, dat hij aanwezig is in onze wereld, ook al zien we hem niet en lijkt
alles zo te ‘ontgoddelijken’.
Zou het dan niet kunnen dat deze ‘ontgoddelijking’ de
genadekans is om op zoek te gaan naar wat echt van God komt? en om zelf
beter te gaan doen wat hij verlangt? Wij worden opgeschrikt door de
oorlogen die nog overal uitbreken of sluimeren; wij verstaan onze
beschaving niet meer als we zien dat men iemand zo maar vermoordt om zijn
gelijk te halen, of om iets van weinig waarde te veroveren, of zelfs maar
om de kick van het doden.
Wij zijn verontwaardigd om de verrijking van een
minderheid ten koste van nog grotere armoede bij de hulpbehoevenden, en de
kranten hebben het over de slechte gang van zaken.
Maar zijn we nog in staat ook het goede te zien dat
elke dag onder mensen gebeurt? En vinden we zelf de kracht om die wereld
van geweld en wellust van antwoord te dienen met een houding van geduld en
luisterbereidheid, van eenvoud en plichtgetrouwheid, maar ook met onze
stemverheffing en daadwerkelijke hulp voor de armen en voor hen wie
onrecht wordt aangedaan? God heeft ons niet zonder reden op de wereld
gezet; ook ons stuurt hij ‘naar de overkant’ in een bootje op een woelige
zee, en hij laat zich niet zien omdat ‘zalig’ zij zijn, "die niet gezien
en toch geloofd hebben" (Johannes 20,29). Maar hij is er. En dat geloof
zal moeten blijken uit onze levenswandel, uit onze ‘daden’, zoals de
apostel Jakobus dat noemt (Jakobus 2,14 vv.).
En naargelang ons geloof in die daden groeit zal
wellicht ook ‘metterdaad’ de ‘wind weer gaan liggen’ omdat wij dan, mede
door ons toedoen, God onder ons ervaren.
Joris Backeljauw o.p. |
| |