Dominicanen Leuven Zondagspreken
  10 augustus  - Negentiende zondag Rechtstreeks afdrukken
 

Lezingen:

1 Koningen 19,9.11-13
Romeinen 9,1-5
Matteüs 14,22-33

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Gods aanwezigheid


We weten het allemaal: Jezus is de ‘Immanuel’ zijn, waarover de profeet Jesaja spreekt en Immanuel betekent ‘God met ons’. Maar we zien God niet, en vaak lijkt het ons alsof God geheel afwezig is, niet alleen in ons leven, maar in heel het reilen en zeilen van vele mensen en zelfs van de Kerk. Waar is Hij dan? Hoe kunnen wij Hem vinden?

Toen de profeet Elia vernomen had dat Izebel, de vrouw van de goddeloze koning Achab, hem wilde laten vermoorden, ging hij op de vlucht, en het werd hem alles te veel. "Hij verlangde te sterven", zegt de Schrift (1Koningen 19,4), maar Jahwe liet hem niet los, beval hem te eten en zijn tocht voort te zetten. En Elia loopt naar de berg – symbool van godontmoeting - in de hoop God daar te zien.

En wat ervaart hij? Een storm, een aardbeving, een vuur… het gaat allemaal vóór Jahwe uit, zegt de Schrift, maar God is er niet in aanwezig. En dan komt dat suizen van die stille bries…. Was God in die bries aanwezig? Dat zegt de Schrift niet. Wellicht suggereert de Schrift eerder dat in onszelf storm en vertwijfeling moeten bedaard zijn, om God te kunnen ervaren. Want God leeft in ons, maar Hij kan ons maar aanspreken als wij het stil maken en luisteren en bereid zijn te leven zoals Hij dat wil, diep gelovend dat al wat wij doen in zijn naam zin heeft en uitkomst.

Zo hoorden wij in de tweede lezing hoe Paulus er onder lijdt, dat de Joden Christus niet erkennen, terwijl toch Gods handelen in de geschiedenis van het volk Israel heeft plaats gevonden, , om tenslotte ten volle onder ons aanwezig te zijn in Christus die – zoals Paulus het zei– "naar het vlees uit de Israëlieten is voortgekomen". Maar de Joden aanvaardden hem niet, vol als ze waren van hun eigen godsopvattingen.

En ook ons moet misschien nog de vermaning van Johannes de Doper herhaald worden: waar hij, doelend op Jezus, zei: "Onder u staat hij die gij niet kent" (Johannes 1,26).

Trouwens wordt zo'n zelfde gevoelen van godverlatenheid en wanhoop niet weergegeven in de angst van de apostelen die Jezus als een schim over het woelige water zien komen? Ze konden hem niet herkennen omdat ze zelf te angstig waren, te bang nu Hij hen alleen op de boot het water had ingestuurd. Alleen zijn kalmerend woord "Ik ben het" verstomt hun verbijstering en lokt bij Petrus zelfs de vraag uit naar een miraculeuze bevestiging. Doch die komt er alleen als je écht gelooft.

Ons wordt dus gevraagd echt te geloven dat God mèt ons is, dat hij aanwezig is in onze wereld, ook al zien we hem niet en lijkt alles zo te ‘ontgoddelijken’.

Zou het dan niet kunnen dat deze ‘ontgoddelijking’ de genadekans is om op zoek te gaan naar wat echt van God komt? en om zelf beter te gaan doen wat hij verlangt? Wij worden opgeschrikt door de oorlogen die nog overal uitbreken of sluimeren; wij verstaan onze beschaving niet meer als we zien dat men iemand zo maar vermoordt om zijn gelijk te halen, of om iets van weinig waarde te veroveren, of zelfs maar om de kick van het doden.

Wij zijn verontwaardigd om de verrijking van een minderheid ten koste van nog grotere armoede bij de hulpbehoevenden, en de kranten hebben het over de slechte gang van zaken.

Maar zijn we nog in staat ook het goede te zien dat elke dag onder mensen gebeurt? En vinden we zelf de kracht om die wereld van geweld en wellust van antwoord te dienen met een houding van geduld en luisterbereidheid, van eenvoud en plichtgetrouwheid, maar ook met onze stemverheffing en daadwerkelijke hulp voor de armen en voor hen wie onrecht wordt aangedaan? God heeft ons niet zonder reden op de wereld gezet; ook ons stuurt hij ‘naar de overkant’ in een bootje op een woelige zee, en hij laat zich niet zien omdat ‘zalig’ zij zijn, "die niet gezien en toch geloofd hebben" (Johannes 20,29). Maar hij is er. En dat geloof zal moeten blijken uit onze levenswandel, uit onze ‘daden’, zoals de apostel Jakobus dat noemt (Jakobus 2,14 vv.).

En naargelang ons geloof in die daden groeit zal wellicht ook ‘metterdaad’ de ‘wind weer gaan liggen’ omdat wij dan, mede door ons toedoen, God onder ons ervaren.

Joris Backeljauw o.p.

 
   Terug