| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 20 juli - Zestiende zondag |
|
|
Lezingen:
Wijsheid
12,13-19
|
|||
|
Gods goede almacht Verleden zondag hoorden we spreken over de groei van
het Godsrijk. Een groei die niet tegen te houden is, - al lijkt het
misschien wel zo, - omdat we God volgens de profeet Jesaja hoorden
verklaren dat zijn Woord niet onverrichter zake terugkeert, maar zijn
vruchten zal afwerpen. Vandaag wordt dat gegeven bevestigd in het evangelie.
De goede tarwe zal opgeslagen worden in Gods schuren. Maar niet voordat
het samen met onkruid is opgegroeid. En misschien zit dat laatste ons
dwars. Waarom is er kwaad in de wereld? Kan God, die de wereld wil redden
dat dan niet meteen uitroeien? Hij is toch almachtig!
Juist: Hij is ALmachtig! En daarom gebruikt Hij zijn
macht niet om meteen schoon schip te maken in onze wereld. Zijn macht
heeft immers niets te maken met onze menselijke strijdlust en
overheersingsdrang: juist omdat hij àlmachtig is, hoeft hij zichzelf niet
te bevestigen, laat staan te verdedigen. Hij kan daarom geduldig zijn, en
dat is hij ook, omdat zijn macht de macht is van de liefde, en liefde is
bekommerd om de ander. De mens die liefheeft wil de anderen laten delen
in zijn goedheid. Daarom geeft God iedereen de kans om mee te werken in
het bestrijden van het boze, maar vanuit het goede zoals God dat zelf
voordoet.
Terecht lazen we dan ook in de eerste lezing: "Uw macht
is de grond van uw rechtvaardigheid en omdat Gij over allen heerst,
behandelt Gij ook allen met zachtheid", en verder: "Gij echter die over de
macht beschikt, met veel zachtheid spreekt Gij uw oordeel uit en Gij
bestuurt ons met veel goedertierenheid, want Gij kunt uw macht tonen
wanneer Gij maar wilt."
En die macht tóónt God, maar in de Geest, die hij ons
zendt. Wijzelf zijn immers de akker waarin God zijn goed zaad heeft
gezaaid. Maar dat zaad nog moet groeien boven het onkruid uit van onze
slechte neigingen, van het kwaad dat wij doen, zelfs als wij het eigenlijk
niet willen. Zo liggen wij vaak met onszelf overhoop. En dan ervaren wij
onze onmacht en weten we zelfs niet hoe wij moeten bidden. Sint-Paulus had
het erover in zijn brief aan de Romeinen. "De Geest
komt onze zwakheid te hulp… Hijzelf pleit voor ons met onuitsprekelijke
verzuchtingen. En Hij (God!) die de harten doorgrondt, weet waar de Geest
op zint, want Hij (die Geest!) pleit voor de heiligen naar Gods
bedoeling.". Wat wil dat zeggen? In onszelf leeft de hang naar het goede;
en de Geest brengt ons die telkens in herinnering als hij dreigt ten onder
te gaan in de strijd die wij met onze fouten doormaken.
En dan komt het erop aan te geloven in de goedheid die
in ieder van ons gezaaid ligt, en die ook gezaaid werd in het hart van
alle andere mensen. Het komt erop aan dat goede naar boven te halen, zowel
bij onszelf als bij de anderen. Gemakkelijk is dat niet: wij zien toch zo
vlug wat verkeerd is bij de anderen en, als we eerlijk zijn, ook bij
onszelf. Maar dat mag ons niet tot wanhoop leiden. Het komt erop aan onze
zwakheden te erkennen en te aanvaarden in de wetenschap dat er één is die
machtiger is dan alle boosheid en die ons niet in de steek laat. Op die
Ene, op die al-machtige God mogen en moèten wij een beroep doen, maar dan
wel met de bereidheid hem in ons spreken en handelen aan het woord te
laten, m.a.w. niet boos te worden, maar zijn geduld over te nemen in een
nooit loslatende liefde.
Pas in zulke gesteldheid rijpt het zaad van God in ons
tot vruchtbare halmen; pas in zulke gesteldheid overwint het goede het
kwade. Pas in zulke gesteldheid krijgen wij deel aan Gods almacht, die
zichzelf niet wil doen gelden en een ander niet wil overmeesteren, maar
die in consequent volgehouden liefde, het Rijk opbouwt van vrede en geluk,
dat God met ons allen voor heeft. en dat Hij mèt ons, samen met onze
medemensen, wil opbouwen in de tijd die ons hier op aarde is toegemeten.
Laten we dus elkander en ook onszelf gaarne zien, want
er leeft iets goeds in ons, maar het moet de kans krijgen om te gedijen.
Joris Backeljauw o.p. |
| |