Dominicanen Leuven Zondagspreken
  20 juli  - Zestiende zondag Rechtstreeks afdrukken
 

Lezingen:

Wijsheid 12,13-19
Romeinen 8,26-27
Matteüs 13,
24-30

U kunt reageren
op deze preek:

Commentaar

 

Gods goede almacht


Verleden zondag hoorden we spreken over de groei van het Godsrijk. Een groei die niet tegen te houden is, - al lijkt het misschien wel zo, - omdat we God volgens de profeet Jesaja hoorden verklaren dat zijn Woord niet onverrichter zake terugkeert, maar zijn vruchten zal afwerpen. Vandaag wordt dat gegeven bevestigd in het evangelie. De goede tarwe zal opgeslagen worden in Gods schuren. Maar niet voordat het samen met onkruid is opgegroeid. En misschien zit dat laatste ons dwars. Waarom is er kwaad in de wereld? Kan God, die de wereld wil redden dat dan niet meteen uitroeien? Hij is toch almachtig!

Juist: Hij is ALmachtig! En daarom gebruikt Hij zijn macht niet om meteen schoon schip te maken in onze wereld. Zijn macht heeft immers niets te maken met onze menselijke strijdlust en overheersingsdrang: juist omdat hij àlmachtig is, hoeft hij zichzelf niet te bevestigen, laat staan te verdedigen. Hij kan daarom geduldig zijn, en dat is hij ook, omdat zijn macht de macht is van de liefde, en liefde is bekommerd om de ander. De mens die liefheeft wil de anderen laten delen in zijn goedheid. Daarom geeft God iedereen de kans om mee te werken in het bestrijden van het boze, maar vanuit het goede zoals God dat zelf voordoet.
Toen de leerlingen Jezus in de Olijfhof wilden verdedigen en daarvoor het zwaard trokken, wees Jezus hen terecht: "Meent ge soms dat Ik niet de hulp van mijn Vader kan inroepen, die Mij dan aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking zou stellen? Maar hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan die zeggen dat het zo gebeuren moet?" (Matteüs 26,53-54). Niet door geweld, maar door de consequentie van zijn goedheid heeft Jezus de boze overwonnen.

Terecht lazen we dan ook in de eerste lezing: "Uw macht is de grond van uw rechtvaardigheid en omdat Gij over allen heerst, behandelt Gij ook allen met zachtheid", en verder: "Gij echter die over de macht beschikt, met veel zachtheid spreekt Gij uw oordeel uit en Gij bestuurt ons met veel goedertierenheid, want Gij kunt uw macht tonen wanneer Gij maar wilt."

En die macht tóónt God, maar in de Geest, die hij ons zendt. Wijzelf zijn immers de akker waarin God zijn goed zaad heeft gezaaid. Maar dat zaad nog moet groeien boven het onkruid uit van onze slechte neigingen, van het kwaad dat wij doen, zelfs als wij het eigenlijk niet willen. Zo liggen wij vaak met onszelf overhoop. En dan ervaren wij onze onmacht en weten we zelfs niet hoe wij moeten bidden. Sint-Paulus had het erover in zijn brief aan de Romeinen. "De Geest komt onze zwakheid te hulp… Hijzelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij (God!) die de harten doorgrondt, weet waar de Geest op zint, want Hij (die Geest!) pleit voor de heiligen naar Gods bedoeling.". Wat wil dat zeggen? In onszelf leeft de hang naar het goede; en de Geest brengt ons die telkens in herinnering als hij dreigt ten onder te gaan in de strijd die wij met onze fouten doormaken.

En dan komt het erop aan te geloven in de goedheid die in ieder van ons gezaaid ligt, en die ook gezaaid werd in het hart van alle andere mensen. Het komt erop aan dat goede naar boven te halen, zowel bij onszelf als bij de anderen. Gemakkelijk is dat niet: wij zien toch zo vlug wat verkeerd is bij de anderen en, als we eerlijk zijn, ook bij onszelf. Maar dat mag ons niet tot wanhoop leiden. Het komt erop aan onze zwakheden te erkennen en te aanvaarden in de wetenschap dat er één is die machtiger is dan alle boosheid en die ons niet in de steek laat. Op die Ene, op die al-machtige God mogen en moèten wij een beroep doen, maar dan wel met de bereidheid hem in ons spreken en handelen aan het woord te laten, m.a.w. niet boos te worden, maar zijn geduld over te nemen in een nooit loslatende liefde.

Pas in zulke gesteldheid rijpt het zaad van God in ons tot vruchtbare halmen; pas in zulke gesteldheid overwint het goede het kwade. Pas in zulke gesteldheid krijgen wij deel aan Gods almacht, die zichzelf niet wil doen gelden en een ander niet wil overmeesteren, maar die in consequent volgehouden liefde, het Rijk opbouwt van vrede en geluk, dat God met ons allen voor heeft. en dat Hij mèt ons, samen met onze medemensen, wil opbouwen in de tijd die ons hier op aarde is toegemeten.

Laten we dus elkander en ook onszelf gaarne zien, want er leeft iets goeds in ons, maar het moet de kans krijgen om te gedijen.

Joris Backeljauw o.p.

 
   Terug