| Dominicanen Leuven | Zondagspreken |
| 22 juni - twaalfde zondag |
|
|
Lezingen:
Jeremia
20,10-13
|
|||
|
Niet vreesachtig geloven Toen kardinaal Danneels in Rome zijn ontslag had
aangeboden, was hij een paar weken uit de media
niet weg te branden. Iedereen prees hem als kerkleider. Iemand noemde hem
ook de enige echte religieuze vedette van het land. De vreeswekkende dingen die de eerste christenen
moesten verduren konden hen ertoe verleiden zich in een getto op te
sluiten en in het publiek over hun geloof in de verrezen Christus in alle
talen te zwijgen. Maar dan had de nieuwe boodschap van het christelijk
geloof verder geen enkele toekomst. Dat mocht in geen geval gebeuren.
Vandaar de opdracht: 'Wees niet bang. Laat je er door niets of niemand van
weerhouden in het volle licht uit te spreken wat ik jullie in het duister
zeg. Roep het van de daken.'
De toekomst van de kerk in onze streken ziet er
belabberd uit. We kunnen dit toeschrijven aan de tijdgeest die godsdienst
en christelijk geloof niet gunstig gezind is. Dat mag waar zijn, maar we
mogen er ons niet zonder meer bij neerleggen. We moeten geen van de erge
dingen vrezen waarvoor de Matteüschristenen bang moesten zijn. Maar veel
wijst erop dat we te weinig bestand zijn tegen een kleinmoedige vrees voor
bepaalde reacties van weldenkend genoemde mensen. We voelen een zekere
schaamte als ze vragen: u gaat dus 'nog' naar de kerk? We hebben schrik
dat ze ons wat meewarig en neerbuigend bekijken. We zijn er beducht voor
dat we bij zogenaamd andersdenkenden ouderwets en conservatief, betweterig
en soms een beetje fanatiek overkomen.
Wie toegeeft aan die vrees, houdt zijn christelijk
geloof binnenskamers. Hij volgt de tijdgeest die het zo dicteert:
'godsdienst is privézaak'. We brengen onze godsdienst wel publiek ter
sprake sprake, maar alleen binnen de vertrouwde ruimte van de kerk waar we
met gelijkgezinden samenkomen, alleen een uurtje 's zondags en op
kerkelijke hoogdagen. Zondagskatholieken dus. Maar wat in het doordeweekse
leven? Er zijn veel moslims die dankbaar gebruik maken van het recht op
vrije meningsuiting en niet aarzelen om openlijk voor hun geloof uit te
komen. De meeste christenen zijn daar zeker niet op gebrand. Ik denk niet
dat er één te vinden is die letterlijk gehoor geeft aan wat het evangelie
vraagt en van de daken roept wat hij gelooft. Minder kras gezegd: niemand
van ons voelt er iets voor om met zijn christelijk geloof te koop te
lopen. Echt gevaarlijk mogen we het niet noemen, maar we vrezen dat het
toch niet zonder enig gevaar is.
Jezus zei tegen zijn apostelen dat ze geen schrik
moesten hebben van de mensen die het misschien op hun lichamelijk leven
gemunt hadden. Wat ze wel moesten vrezen, was dat met hun lichaam ook hun
ziel zou omkomen. De ziel van een mens, dat is zijn diepste wezen, de
geest die hem bezielt, zijn antenne voor God. Wie zich die gerichtheid op
God laat afpakken of ze verloren laat gaan, is zichzelf kwijtgeraakt.
Ons staat zeker niemand naar het leven omdat we
christen zijn. Het is onze ziel die gevaar loopt. Wordt ze niet gefnuikt
als we ons tegenover de buitenwereld schamen voor wie en wat we zijn? Je
wendt die bedreiging van je ziel of door je schaamte te overwinnen. Als we
de waarde van het christelijk geloof hoog schatten, zwijgen we er niet
over, tegenover niemand en nergens waar het te pas komt. Als men ons
vraagt: 'waarom doe je niet zoals iedereen?', zeggen we zonder te
aarzelen: 'omdat ik christen ben.' Of: 'waarom maak je het jezelf
lastig?'- 'omdat ik christen ben'. 'Waarom ga je hier dwarsliggen?'
-'Omdat ik christen ben'. In alle bescheidenheid tonen we ons fier op ons
christelijk verschil. We tonen de kostbaarheid, de levensvervulling, de
levensvreugde die in het christelijk geloof te vinden is en bieden die aan
anderen aan.
Nu zeker mogen we er niet over zwijgen, want het komt
wel degelijk te pas. Neutrale waarnemers onderstrepen dat "zeker in deze
materialistische en individualistische tijd een grote publieke behoefte
bestaat aan spiritualiteit, ethische reflectie en geestelijke verdieping"
(Marc Reynebeau in De Staandaard, 31 mei). Er ligt hier - een
beetje platvloers gezegd misschien - voor ons een gat in de markt. Wat
plechtiger gezegd: een kans en een uitdaging. Het moet onze ambitie zijn,
om niet te zeggen onze opdracht - om, ieder op zijn manier, de signalen
die in onze kerk op rood staan te helpen doven. Om het licht voor de
toekomst op groen te doen springen.
Het mag herhaald worden: we hoeven niet bang te zijn.
Bang dat we ons belachelijk maken, bang om in de hoek te worden geduwd, om
op tegenkanting te stuiten, of nog erger. Het evangelie zegt het met een
bemoedigend beeld. Als het God niet onverschillig laat wanneer één enkele
mus op de grond valt, hoe zouden mensen dan niet op hem mogen vertrouwen,
want één mens is meer waard dan een hele zwerm mussen. "Bij jullie zijn
zelfs alle haren op je hoofd geteld."
Een zondag als deze is een gelegenheid bij uitstek om
uit volle borst en met volle overtuiging het mooie lied van Oosterhuis te
zingen: 'God die ons heeft voorzien en kent bij onze naam'. Geen mens die
hem weerhoudt om onze God te zijn. 'Als God zo voor ons is, wie zal dan
tegen zijn? Al wat ons overkomt, zal hoop en zegen zijn.'
B.J. De Clercq o.p. |
| |