Over
Godsvoorstellingen
Inleiding
 Toen
ik enkele dagen geleden met mijn jonge hond terug van onze boswandeling
kwam, sprak mijn buurvrouw mij aan. "Je hebt een bange hond, denk ik,
want elke keer dat een politie- of ziekenwagen met loeiende sirene voorbij
komt begint ze te huilen." Maar het is met honden zoals met kleine
kinderen: alleen de ouders of het baasje mogen een negatief woord zeggen,
want anders is de krenking te groot. Bang is mijn hond zeker niet. Een
beetje meer bescheidenheid zou haar zelfs sieren. Mijn vroegere Groenendaler
begon altijd te huilen bij de eerste klokslag van de kerkklok van de
jezuïeten. Daar zouden eventueel nog andere motieven zoals rivaliteit
kunnen meespelen. Ethologen, die hondengedrag bestuderen, hebben heel andere
verklaringen. De eerste, minst waarschijnlijke is dat dit geluid pijnlijk
voor hun oren is en ze daarom janken. Een tweede veel waarschijnlijker
verklaring is dat dit hoge geluid lijkt op het gehuil van de roedel, waarop
zij dan antwoorden. De interpretatie van mijn buurvrouw was dus
waarschijnlijk een projectie van haar eigen gevoel bij het horen van een
sirene. Misschien denkt ze dat er een ongeval is gebeurd of iemand in gevaar
verkeert en wordt ze bang.
Haar interpretatie van het hondengedrag is niet zo
ongewoon, want veel meer dan we zelf weten interpreteren we allerlei
gebeurtenissen vanuit gevoelens die ons bezig houden of die we maar niet
verwerkt krijgen. Ik had een hele tijd een jonge vrouw in begeleiding, die
elke keer dat ze mij een hand gaf, vroeg of ze mij geen pijn had gedaan.
Haar handdruk was heel normaal, maar wat daarna allemaal aan pijn en
kwaadheid opkwam en wat ze mij daarbij soms naar het hoofd slingerde was
andere koek. We projecteren dikwijls en wel het meest als we op domeinen
komen waar er geen zintuiglijke correctie mogelijk is of domeinen die een
diep gevoel raken.
Religie en godsdienst horen daarbij, zoals ook de kunst.
Op zichzelf is dat niet erg. Meestal beginnen belangrijke ervaringen met
projectie, denk maar aan de verliefdheid. De kunst is tijdig in te zien wat
we in de ander projecteren om zo door uitzuivering dichter te komen bij wie
die ander is en wat ons werkelijk raakt. Datzelfde geldt voor de godsdienst
en de manier waarop wij geloven. Vraag je aan kinderen hoe ze zich God
voorstellen, dan spreken ze meestal over een oude man, liefst met een lange
baard en mantel, een beetje zoals figuren uit hun sprookjesverhalen. Is dat
fout of lachwekkend? Helemaal niet, het past in hun magische,
sprookjesachtige wereld. Vraag is wat er gebeurt eens we ontdekken dat we
projecteerden. De geloofscrisis op vandaag heeft veel met die schok te
maken.
Parabel van de talenten
Matteüs 25,14–29
Heer ik wist van u dat u streng bent, dat u maait waar
u niet hebt gezaaid en oogsta waar u niet hebt geplant, en uit angst
besloot ik uw talent te begraven; alstublieft, hier hebt u het terug.
(24-25)
Deze parabel laat op een schrijnende manier zien hoe een
bepaalde godsvoorstelling zodanig kan inwerken dat mensen zich verlamd
voelen in hun creatieve mogelijkheden.
Een voorbeeld uit Rizutto ‘ The bird of the living God’
Fiorella Domenico is een vrouw van einde 50 jaar die
verwezen wordt wegen s te
hoge bloeddruk, hyperventilatie met allerlei angsten. Ze is een vrouw van
Italiaanse afkomst, levend in de Italiaanse kolonie van een Amerikaanse
stad. De angsten namen fel toe na het huwelijk van het jongste kind en een
crisisnacht waarin haar man
leed aan hevige pijnen wegens nierstenen. Vanaf dan vreest ze altijd haar
man te zullen verliezen. Ze krijgt claustrofobie, durft niet meer in een
grote groep zijn. Tot dan ging ze dagelijks naar de mis, maar geleidelijk
laat ze dit vanwege haar angst. In die periode ontdekt haar man haar
bewusteloos, de geneesheer kon enkel een verhoogde bloeddruk vaststellen. In
diezelfde periode stierven verschillende familieleden. Patiënte vreest
alleen thuis te zijn, krijgt dan angstaanvallen die ophouden als haar man
thuis is. Uiteindelijk moet ze voor behandeling opgenomen worden in de
PAAZ-afdeling van het ziekenhuis. Daar is ze direct heel rustig en vindt
iedereen haar een vriendelijke, aantrekkelijke vrouw. Twee keer raakt ze in
paniek: als de therapeut een gesprek met haar heeft over haar vader, en een
andere keer als medepatiënten vragen stellen over haar vader.
Fiorella Domenico was 2de kind van Italiaanse migranten
die met enkele families in een kleine stad van New England gingen wonen.
Vader was het onbetwiste hoofd van de familie. Ze ervaarde hem als rustig,
vriendelijk hard werkend. Moeder was de strenge waar de kinderen bang van
waren en aan wie ze nooit hun gevoelens toonden. Hoewel ze van haar kinderen
hield kon ze haar affectie niet tonen. In haar puberteit begon patiënte
zich op te maken met schmink en haar haar te verzorgen. Ze wil schoenen met
hoge hakken, wat niet wordt toegestaan. Stiekem gaat ze werken en koopt van
het geld toch die schoenen. Vader was zo boos dat hij haar voor het eerst
(en enige keer) sloeg.
Op 18 jaar zocht het gezin voor haar een geschikte
partner. Patiënte is er tevreden mee en wordt verliefd. Ze huwt, krijgt 2
kinderen en woont met haar man in zijn geboortestad, ver van haar familie.
Gedurende 20 jaar is ze heel gelukkig en geeft ze alle aandacht aan haar
gezin. Op 38 jaar sterft haar vader van een beroerte, 2 jaar later sterft
ook de moeder. Vanaf dan begonnen de depressies. Vanaf 50 jaar begonnen
angsten en fobieën volop.
Welke voorstelling had ze van God?
Voor haar was God een composiet beeld met vaderlijke en
moederlijke trekken. God is tegelijk boven alles verheven, de heersende en
almachtige maar ook de beschermer van zijn kinderen. Een nauwkeurige
vergelijking toont aan hoe er een parallel is tussen haar beeld van God en
dat van haar vader. Zoals vader voor haar de positieve, de beschermer was,
zo beleefde ze ook God. Anderzijds had ze verdrongen negatieve gevoelens
t.o.v. haar moeder die ook in haar beeld van God terugkwam, maar slechts op
de achtergrond: God als de straffende, God die vrees inboezemt.
Voor haar was God altijd de liefdevolle, bekommerde, en
deze ervaring had ze vanaf ± haar 7 jaar (de periode waarin ze zich ook
duidelijk meer aan haar vader ging hechten). God was zo een idealisering van
haar oedipale verbondenheid. Geloven ging zo deze oedipale structuur
versterken. De leefregels van het gezin ging ze als een braaf, voorbeeldig
meisje interioriseren en gaven haar zo de nodige affectie. Daarvoor moest ze
ook een prijs betalen: haar opstandigheid, het zoeken van een eigen seksuele
identiteit en een zelfgekozen partner werden onderdrukt.
God was een uitvergrote idealisatie van haar vaderbeeld
en superego. Daardoor kon het niet anders dan dat haar relatie met God ging
stagneren. Ze maakte nooit een geloofscrisis door waarbij twijfel en
ongeloof een plaats konden krijgen. Ook haar religieus ontwikkelingsproces
maakte geen echte evolutie door vb. via kunst, de natuur of het bevragen van
haar Godsbeeld. Haar God bleef een huis-God met eenvoudige, menselijke
kenmerken. Tegelijk was een echte intimiteit met die God (zoals vb. in de
mystiek) niet mogelijk en verboden (als een sooirt incest). Daarom kon haar
geloof haar niet van angst genezen. Ze bleef strak zoeken naar bescherming
en kon zo nooit opstandig zijn. Evenmin als ze ooit protesteerde t.o.v. haar
partner. Later zou niet God beangstigend zijn maar de kerk.
Godsvoorstelling als projectie
(S. Freud)
Geloof groeit via de volwassenen en het beeld dat zij bij
kinderen oproepen door hun voorbeeld en door de verhalen, die ze vertellen.
Het is daarom voor de hand liggend dat kinderen zich een beeld van God
vormen naar het model en de dromen (of het ik-ideaal) van die volwassenen.
Geleidelijk zal een kind via ervaring en later via lectuur en reflectie
verfijning in dit beeld aanbrengen, het eventueel verwerpen samen met heel
de godsdienst of komen tot het loslaten van elke voorstelling. Wat een kind
tegenover zijn ouders doet, zal het ook tegenover God doen. Hoe verloopt
echter zo’n proces? Volgens Freud spelen twee mechanismen, die tot
projectie voeren, een belangrijke rol: de idealisatie en de verdringing en
terugkeer van dat verdrongene.
- Kinderen hebben vanaf een bepaalde fase de neiging om belangrijke
figuren te idealiseren. Een jongen die zijn vader idealiseert komt zo
los van de moederfiguur en de relaties van gemakkelijke nabijheid, hij
leert naar de toekomst te kijken en wil als zijn vader worden. Hij
idealiseert zijn vader waarbij hij voor hem negatieve aspecten wegduwt
en een aantal andere van hem overneemt. Door de idealisatie vergroot hij
kwaliteiten en relatiepatronen van die vader waardoor hij andere
gevoelens zoals dreiging, angst en schuld niet hoeft te voelen. Zo
ontstaat het geweten. Het is vermoedelijk iets dat vanaf de geboorte in
potentie aanwezig is (cfr. Klein en Winnicott) en dat nu groeit tot een
innerlijk systeem van idealen en normen. (Hetzelfde geldt ook voor het
meisje zij het op een wat andere manier).
Dit proces speelt in de religieuze ontwikkeling een
belangrijke rol. Men gaat zich God voorstellen volgens het model van de
geïdealiseerde ander. God wordt een soort van supermens waarbij we Hem
allerlei menselijke kwaliteiten op een uitvergrote manier toekennen. God is
dan oneindig goed, eindeloos geduldig, rechtvaardig en liefdevol, enz.
Daardoor komt men op een bepaald ogenblik voor problemen zoals: hoe kan het
lijden blijven bestaan als God almachtig is? Hoe kan iemand voor eeuwig
gestraft worden als God eindeloos goed is, enz. Bij zo’n vragen botsen
volwassen, kritische vragen met kinderlijke voorstellingen. Aristofanes zei
reeds dat indien de mensen vogels waren God zeker een vogelkop zou hebben.
Kinderen stellen zich God voor als een oude man met een lange baard.
Vergote deed onderzoek bij volwassenen en merkte dat men
aan God zowel vaderlijke als moederlijk kenmerken toekende en daarbij de
meest typische op een uitvergrote manier. Projectie vanuit idealisatie zit
ons m.a.w. ingebakken en komt in elke fase van het leven terug. Ze
veroorzaakt ook op een bepaald ogenblik een geloofscrisis. Naar mijn
aanvoelen komt die crisis al vroeg bij kinderen van ongeveer 10 jaar, omdat
ze tegelijk nog in een magische wereld willen leven én tegelijk heel
rationeel over de werkelijkheid kunnen denken. Veel catechisten zijn niet
opgeleid om op dat ogenblik op een gepaste manier te reageren.
Door dit type projectie maken we een scherpe
tegenstelling tussen Gods wereld en onze wereld en gaan we die wereld zelfs
in sommige gevallen verachten. Thomas van Aquino bouwde op dit mechanisme
zijn analogieleer op. Volgens Thomas krijgen we via het ondervinden van
goedheid met anderen een vermoeden van Gods goedheid. Geloven en
geloofsvoorstellingen groeien zo vanuit ervaring. Thomas neemt aan dat er
twee werelden zijn, de goddelijke en de menselijke, en dat tussen die twee
een analogisch verband is (de analogia entis). Eerst maken we spontaan de
sprong van menselijke ervaring naar religieuze ervaring (via positiva),
daarna ontdekken we dat onze religieuze wereld zo al te menselijk is en
ontstaat een kritische afstand (via negativa) om uiteindelijk tot het besef
te komen dat God wel goed is, maar dat zijn goedheid van een heel andere
inhoud is dan de menselijke (via eminentiae). Het gevaar bij deze theologie
is dat men binnen de totalisering blijft en men God in het verlengde van de
eigen fantasie gaat zien als hoogste Zijnde, die heer is van alle zijnden,
de eerste oorzaak van al wat is, die de wereld vanuit het niets in 7 dagen
schiep, die alles in handen houdt en op het einde de mens voor zijn troon
daagt. Terecht is in de hedendaagse wijsbegeerte kritiek gekomen op deze
voorstelling, omdat men de radicale andersheid van God niet ziet. God als de
totaal Andere is niet via ervaring te vatten. Er zijn enkel maar belangrijke
situaties waarin Hij aan het licht komt.
- Een tweede vorm van projectie bestaat erin dat men gevoelens, die niet
te verdragen of te verwerken zijn, verdringt en dat die via een omweg
terugkeren naar onze voorstellingen. Wij hebben allemaal te worstelen
met gevoelens van onveiligheid, van schaamte en schuld, van rivaliteit
en achterdocht. Aangezien wij die op heel jonge leeftijd doormaken, op
een ogenblik dat het Ik nog zwak is, is het nodig dat we ze verdringen
om te kunnen overleven. Wat werd verdrongen is echter niet weg, maar
keert via een omweg terug, vb. door ze op God te projecteren. God wordt
dan een strenge rechter, die ons beschuldigt zelfs van dingen waar ons
geen schuld treft. Voor Hem voelen we ons naakt zoals Adam en Eva. Hij
straft ons met ziekte, lijden en dood. Ook al menen we recht in onze
schoenen te staan, dan is er wellicht nog een fout die we over het hoofd
zagen. Heel het OT is doordrongen van allerlei projecties van dit
kaliber.
In de psychoanalyse maakt men daarbij nog een onderscheid
tussen de bewuste projectie, die men echter niet kan stoppen en de projectie
die altijd onbewust blijft (wat Melanie Klein de projectieve identificatie
noemde). Mensen zijn zich dikwijls bewust hoe (al of niet overdreven)
schuldgevoel hen achtervolgt en hun geloof vertekent, maar ze kunnen het
gevoel niet stoppen (cfr. Julien Green in zijn romans zoals Moira, sommige
gedichten van Michiel Vander Plas). Veel gelovigen van een vroegere
generatie blijven ondanks alle catechese met deze gevoelens zitten, omdat ze
in hun kinderjaren er zoveel angst bij hebben gevoeld. Hardnekkiger en
beklemmender zijn gevoelens, die men onbewust afsplits om ze via de ander te
kunnen controleren. In de therapie zijn het de meest hardnekkige en
moeilijkst te genezen gevoelens. De persoon is te zwak om ze in zichzelf te
herkennen en duwt ze naar de ander. Men voelt zich door God achtervolgd,
beschuldigd, vernederd. Men zoekt rusteloos om zijn toorn af te wenden en
leeft in de verschrikkelijk angst van dood en verdoemenis. Luther had zo’n
verschrikkelijk vadercomplex dat hij tijdens een zwaar onweer beloofde om
kloosterling te worden als hij uit dit gevaar zou worden gered. Later werd
hij zo door schuldgevoel gekweld dat hij voor de woorden van de consecratie
te kunnen uitspreken nog even zijn biecht uitsprak. Luther overwon dit
verpletterend gevoel door lange gesprekken met zijn overste en het
theologische inzicht dat enkel de onverdiende genade van God een mens kan
redden (de sola gratia).
- Godsbeelden vanuit de hechtingstheorie van Bowlby
Bowlby deed veel onderzoek naar de eerste contacten
tussen een moeder en haar baby en kwam tot de vaststelling dat er grosso
modo 4 belangrijke hechtingstypen zijn, die niet alleen in de eerste
maanden zich voordoen, maar daarna vrij constant het leven blijven
beheersen. Bowlby sprak over het loslaten van de moederfiguur als een
rouwproces, vandaar dat men in de nieuwe literatuur over rouwen en
rouwtherapie deze vanuit de vroegere hechting gaat bezien. Vanuit elk van
deze hechtingstypen ontwerpen mensen ook een eigen Godsbeeld dat antwoord
biedt op de noden waarmee ze bleven zitten. Er is de normale, volwassen
hechting, de angstige, de vermijdende en de gedesorganiseerde hechting.
- Bij een veilige hechting kunnen kinderen een korte scheiding van de
moeder goed verdragen. Ze voelen zich voldoende geborgen om de
opkomende angst en verdriet te verwerken en reageren positief als de
moeder terugkomt. Dit type zal als volwassene bij verlies van een
geliefde zich veilig genoeg gehecht weten om te kunnen rekenen op
anderen. Men kan evenwichtig praten over het verlies en voelt de
troostende nabijheid van anderen. Soms heeft dit type een teveel aan
bescherming ondervonden en mist men weerbaarheid om de hardheid van
het verlies op zich te nemen. Men ontwikkelt een Godsbeeld waarbij men
tegelijk steunt op de troost van het geloof, maar ook op de nabijheid
van God via mensen. Afstand en nabijheid, verbondenheid en kritische
bevraging kunnen tezamen bestaan.
- Bij een angstige hechting gaat het meestal om overbezorgde ouders,
die teveel vanuit eigen angsten reageren waardoor ze hun kinderen niet
aanmoedigen eigen gevoelens te exploreren en alleen maar willen
beschermen. Bij scheiding van de moeder klampen deze kinderen zich aan
haar vast en beginnen ze bij haar terugkeer heftig te wenen. Deze
kinderen scoren laag in zelfvertrouwen en hoog in het vertrouwen in
anderen. Wanneer zij als volwassenen met verlies worden geconfronteerd
blijven ze in een langdurige rouw vast zitten met veel eenzaamheid en
de neiging zich aan anderen vast te klampen. Men kan of wil niet
vertrouwen op de eigen verwerkingsmogelijkheden. Dit type mensen heeft
als volwassene een kinderlijk geloof behouden waarbij ook de angstige
behoefte aan bescherming domineert. God kan men enkel maar zien als de
almachtige, beschermende Vader. Men wordt boos op degenen die anders
geloven of die in de verkondiging kritische vragen stellen. Voor de
medegelovigen, die dicht bij hen staan en toch verschillend zijn
vormen de sterkste bedreiging voor hun behoefte aan veiligheid. Men
wil absoluut trouw blijven aan de paus en alle kerkelijke autoriteiten
en neigt naar fundamentalisme.
- Bij een vermijdende hechting gaat het om ouders die de hechting van
hun kind afwijzen en daardoor vermijdend gedrag bij het kind opwekken.
Deze ouders verdragen de hechting niet en straffen die bewust of
onbewust af. Als de moeder na afwezigheid terugkeert reageren deze
kinderen onverschillig. Ze leren hun gevoelens minimaliseren waardoor
ze heel onafhankelijk en assertief zijn in relaties. In geval van rouw
blijft alle gevoel van binnen. Men is van oordeel dat men niet op
anderen kan rekenen (want ze laten je toch in de steek). Vandaar de
neiging tot zelfcontrole en probleemoplossend gedrag. Ook in zijn
Godsvoorstelling houdt men het eerder bij een koele afstandelijke God.
Godsdienst is enkel maatschappelijk engagement, elke overgave wordt
gewantrouwd. Kinderlijke vroomheid of getuigenissen van een mystieke
Godservaring beziet men met cynisme.
- In geval van gedesoriënterende hechting gaat het om ouders die
tegelijk bron van angst en van veiligheid zijn waardoor het kind zich
geklemd voelt tussen toenaderen en vermijden. Een typisch geval is
wanneer de moeder een postnatale depressie doormaakte waardoor ze naar
het kind verwerpend is (althans in zijn beleving) en toch moeder wil
zijn. Ook in een aantal gevallen van mishandeling hebben kinderen
onvoorspelbare momenten van aantrekken en afstoten doorgemaakt.
Daardoor ontwikkelt het kind een gedesoriënteerd gedrag. Bij een
korte scheiding reageert het eerst afwijzend ofwel toenaderend maar
dan plots bevriesend, eventueel gaat het zichzelf pijn doen. Als
volwassene mist men vertrouwen en zelfvertrouwen. Verliest men een
geliefde dan wordt men angstig, paniekerig, depressief met neiging tot
alcoholmisbruik en eventueel gevaar voor suïcide. In veel gevallen
zitten ouders van dit type zelf met een onverwerkte rouw. Ook in zijn
relatie met God speelt de desoriëntatie een belangrijke rol. Geloof
in God is nu eens een weldaad, dan weer een bron van veroordeling en
verlatenheid. Men is steeds op zoek naar God, maar vreest tot overgave
te komen.
Besluit
Alle voorstellingen van God zijn menselijke
voorstellingen, gegroeid via opvoeding, onderricht, lectuur en ervaring. Ze
zeggen echter meer over de mens dan over God. Indien God echter de totaal
Andere is, indien alles wat van de mens is niet op Hem van toepassing is hoe
dan over Hem te spreken? Spelen ook andere factoren dan psychologische in
deze voorstellingsdrang?
- Bijbelse factor: in de al te menselijke voorstelling van God speelt
ook de Bijbel een belangrijke rol. Men leest de Bijbel teveel als een
boek waarvan elk woord goddelijke openbaring zou zijn. De Bijbel is
volgens mij de neerslag van een zoekproces waarbij mensen zich
geleidelijk leerden ontdoen van allerlei mythische voorstellingen van
God en zo door uitzuivering steeds dichter kwamen bijwie die God
eigenlijk is. De oudste teksten ontstonden in een mythische tijd waarin
de mensen vanuit hun mythische ingesteldheid aan die God allerlei
magische krachten toekenden. De toornige God, die zich via andere
volkeren op zijn volk wreekt omwille van hun ontrouw. De mythische god,
die het offer van zijn meest geliefde kind wilde om zo de zonden van de
wereld weg te nemen (en de kerk die nog altijd spreekt over het
onbloedige offer van de eucharistie). De wereld die in 7 dagen werd
geschapen. Het bestaan van een hemel, hel en vagevuur. De mens die
erfelijk besmet is met een zonde. De voorstelling van de geboorte, de
verrijzenis, hemelvaart van Jezus, het neerdalen van de Geest. Dat alles
zijn mythische voorstellingen, die in botsing komen met ons rationeel
mens- en wereldbeeld. Je mag die verhalen niet afwijzen. Of zoals
Bultmann wilde hen vertalen in de filosofische begrippen van deze tijd,
want dan verarmen we onze traditie. Maar wel moeten we al deze verhalen
lezen vanuit de context waarin ze werden verteld.
- Een tweede belangrijke factor in onze godsvoorstelling is de door
eeuwen gegroeide tendens in het westen om zich van alles een
voorstelling te maken om zo na te gaan hoe de werkelijkheid in elkaar
steekt en hoe we haar kunnen manipuleren. Zo gaat de wetenschap tewerk.
Belangrijke filosofen zoals M. Heidegger e.a. tonen aan hoe in het
westen de mens steeds duidelijker zichzelf tegenover de werkelijkheid
ging plaatsen en zo een subject werd tegenover een wereld van objecten.
Daardoor is het westerse denken in wezen een voorstellend denken
geworden en gingen we die voorstellingen in begrippen vatten. Zonder te
beseffen zitten we daarmee in een gesloten en verarmde wereld waarbij de
mens boven of buiten die werkelijkheid staat. Ook de spiritualiteit en
de theologie is beïnvloed door deze tendens. Geloven werd gevat in een
geloofsleer, de theologie ging zich gedragen alsof ze een particulier
venstertje had op God en het goddelijke. Tegen deze rationele
ingesteldheid moeten wij vandaag stelling nemen en haar trachten te
doorbreken.
Een omkeer is mogelijk als we de vraag omkeren en ons
niet afvragen wie God is, hoe wij ons Hem kunnen voorstellen, maar waar en
hoe Hij in de wereld kan verschijnen. "Deze
omkering is zoiets als een Copernicaanse revolutie waarbij we afzien van een
beheersende, ‘wetende’ houding, maar ons beschikbaar stellen voor iets
dat ons overstijgt. Ou est le lieu natal de Dieu" vroeg A. Gesché zich
af in zijn boekje Dieu.
Naar mijn oordeel zijn er 4 belangrijke momenten waarin
Gods anders zijn in onze eigenheid kan binnentreden: via de Bijbelse
verhalen, in de persoon van Jezus van Nazareth, in de rituele en symbolische
handelingen en in de diepte van elk van ons (het diepere zelf als tempel van
God).
- Hoe God wel ter sprake brengen?
Jezus als ikoon van God
In zijn boek Dieu sans l’être maakt de Franse
filosoof J.L. Marion een onderscheid tussen idool en ikoon. Idool is een
verstold beeld waarbij de werkelijkheid haar werkend karakter verliest,
maar als versteend en gefixeerd bestaat in onze geest. Op die manier
kunnen we de werkelijkheid beheersen en manipuleren. Een ikoon is de
zichtbaarwording waarbij niet ik kijk en spreek, maar de ander mij ziet of
toespreekt. In de theologie noemt men Jezus tegenwoordig dikwijls de ikoon
van God. De evangeliën staan vol van verhalen over de manier waarop de
aardse Jezus met anderen omging en in die omgang God aanwezig stelde. Na
zijn dood ging deze ervaring verder in de Geest-ervaring. Na de dood
gingen de leerlingen zo met elkaar om dat Gods kracht tastbaar onder hen
was. Zo kan ook nu de gemeenschap van gelovigen zodanig met elkaar omgaan
dat zij ikoon van God is, omdat de Geestkracht van Jezus werkzaam blijft.
In plaats van te vertrekken vanuit theologische definities dat Jezus zoon
van God is, tweede persoon van de drievuldigheid, enz. en men vanuit deze
omschrijving tot een geloofshouding moet komen, moet men de zaak omkeren.
Het gaat om het ongrijpbare verschijnen van zijn kracht en inspiratie, en
wat dat teweeg brengt zullen gelovigen vanuit een nieuw denkkader anders
gaan benoemen. Misschien is dat kader zelfs overbodig.
God als verhaal
In het verlengde van het voorgaande kan men zeggen dat
God zich in de Bijbel steeds openbaarde in concrete geschiedenissen: de
geschiedenis van zijn volk en de persoonlijke verhalen van enkelingen.
Heilshistorisch gezien geloven we dat het Joodse volk eerst in slavernij
leefde en slechts de moed had om te vluchten vanwege de zelfopenbaring van
God als de Mee-trekkende. Vanwege die ervaring durfde men de Uittocht aan
waardoor Gods uitspraak ‘Ik ben die er zal zijn’ werd bekrachtigd.
Hetzelfde gebeurde met enkelingen. Schillebeeckx sprak over
contrastervaringen waarbij men in het protest een eerste ervaring van
geloof had. Naar mijn gevoel waren ook heel positieve ervaringen aanzet om
God aanwezig te weten.
Telkens werd een verband gelegd tussen historische
gebeurtenissen en het verschijnen van de Oneindige. God en de relatie met
Hem kwam niet zomaar tot stand maar als verhaal. Het is daarom belangrijk
dat wij ook in de verkondiging verhalen vertellen. Op die manier vermijdt
men te spreken in metafysische en dogmatische bewoording. Alle belangrijke
begrippen in de theologie (transsubstantiatie, natuur en persoon, genade,
ziel) zijn gegroeid in een filosofisch denken dat helemaal achterhaald is.
Het vertellen van verhalen in de verkondiging heeft vele voordelen.
Verhalen zijn concreet en beperkt. Zij laten zien dat geloven ook te maken
heeft met toeval, met historische beperktheid van plaats en tijd. Daarbij
heeft een Godservaring tijd nodig om door te dringen en opnieuw ervaring
te worden, zoals een verhaal ook zijn tijd neemt. En tenslotte laat men
door te vertellen aan de ander de ruimte om bij zichzelf stil te staan en
zijn eigen verhaal tot actualiteit te worden.
De weg van de ritus en de symbolen
Wij roepen Gods anders zijn op in het voltrekken van de
ritus en het omgaan met symbolen. Zoals er een grondig verschil is tussen
idool en ikoon is er een verschil tussen teken en symbool. Een teken heeft
een louter verwijzend karakter, weg van zichzelf (vb. een handwijzer). Het
steunt op gemaakte afspraken (stoppen bij rood licht). Het heeft een
functioneel karakter en neemt onze psychische energie niet op. Een symbool
is ook verwijzend, maar stelt aanwezig waarnaar het verwijst. Vb. brood
geeft leven en kracht. Het brood verwijst in de eucharistie naar Jezus als
bron van leven voor onze ziel. Door met de aardse betekenis om te gaan
(het breken) openen wij een venster naar het transcendente. Dikwijls menen
mensen dat iets ‘maar’ symbolisch is als zou het om een minderwaardig
iets gaan (zoals verhalen ‘echt’ moeten zijn gebeurd willen ze
betekenis hebben). Een symbolische werkelijkheid is echter een ‘superwerkelijkheid’
door haar werkend karakter. Ze kan de menselijke energie opnemen en op een
ander niveau brengen. Een symbool roept die andere werkelijkheid wel op,
maar zonder haar te benoemen en te beheersen. Door haar verwijzing maakt
ze het verlangen van gelovigen wakker. Zeggen dat Jezus op symbolische
wijze aanwezig is in de eucharistie is dus helemaal niet minderwaardig.
Een symbool vindt men niet uit. Zoals Vergote aantoonde geeft zich een
symbool. Vanuit een onachterhaalbare werkelijkheid komt het aan het licht.
Boven de symbolische realiteit is er ook geen rationele werkelijkheid die
haar kan beheersen. Vandaar dat men bij duiding van een sacramentele
handeling heel gereserveerd moet zijn om de symbolische kracht niet te
vernietigen.
Meestal zijn symbolen vervat in een ritueel dat
verbonden is met de belangrijke momenten van het leven. Rituele daden zijn
performatieve daden (‘ik doop je’, ‘ik vergeef je’ ‘wij breken’)
waarbij mensen zich afstemmen op een goddelijke werkelijkheid die aan het
licht wil komen. In het rituele en sacramentele wordt ons totale lichaam
aangesproken en maakt het zich gereed om goddelijke kracht te ontvangen.
De weg van de negatie
Tenslotte kan God ook verschijnen in de diepte van
ons zelf. Degene die dit het best voor mij heeft verhelderd is Meister
Eckhart. Volgens hem bestaat de mens uit drie delen: de lagere krachten,
de hogere en ons diepere zelf. Met de lagere krachten veroveren we de
werkelijkheid. Rationaliteit, de drang tot zelfontplooiing en de
begeerte zijn drie aspecten waardoor we onszelf centraal stellen.
Daarnaast beschikken we ook over hogere krachten, die ons in staat
stellen om op een wederkerige manier met de werkelijkheid om te gaan (de
memoria, intellectus en voluntas). Het is een belangrijke opgave om de
lagere krachten in dienst van de hogere te stellen. De originaliteit van
Eckhart tegenover de traditie is dat hij spreekt van nog een derde
instantie: ons diepere zelf. Dit diepere zelf noemt hij ‘een louter
Niets’ of ‘zuivere openheid’. Hij spreekt van een zielenvonk of
een woestijn. De grond van de mens is niets dan openheid en
ontvankelijkheid. Deze openheid heeft voor hem evident als echte
Middeleeuwer enkel met God van doen en vindt enkel in Hem haar rust. Het
is daarom een opdracht om zowel de lagere als de hogere krachten in
dienst van deze fundamentele openheid te stellen. Op die manier kunnen
wij ‘een lege plek zijn’ voor de ander zoals Kopland dichtte. Neem
het voorbeeld van de seksualiteit en het verlangen dan willen we vanuit
onze lagere krachten de ander begeren en voor onze behoefte gebruiken,
maar vanuit de hogere krachten willen we tot een wederkerige liefde en
bejegening komen. Volgens Eckhart is het echter nog belangrijker oog te
hebben voor iets dat aan liefde voorafgaat, de openheid en ontvankelijke
aandacht waarbinnen liefde tot stand komt. Lege plek voor elkaar zijn
waarin de ander zich kan tonen zoals die zelf wil zijn.
Door in te treden in dit Niets of loutere openheid
stoppen wij ook het proces om de werkelijkheid voor ons op te eisen en
geven we die terug aan zichzelf. De wereld waarin alles volgens model
van subject en object wordt benoemd houdt zo op. Zo komt er ruimte
waarin die werkelijkheid zich kan tonen zoals zij dat zelf wil, dus niet
ingepast in mijn behoeften. Datzelfde geldt ook tegenover God. Door in
te treden in die openheid houden we op God te benaderen volgens eigen
beelden en voorstellingen en kan God verschijnen zoals Hij zelf wil. Wij
moeten God omwille van God loslaten. Die God voorbij de beelden noemt
Eckhart de Godheid. En hij zegt dat er tussen God en Godheid een afstand
is als tussen hemel en aarde. Alles wat we dus tot hiertoe van God
hebben ervaren en geleerd is slechts het portaal om de kerk binnen te
gaan. De echte mystieke Godservaring komt tot stand als het menselijke
Niets en het Goddelijke Niets in elkaar vervloeien. (Niets is hier niet
niets, maar een gebeuren van onnoembare positiviteit).
Eckhart zegt daarom in een preek; "God wordt
maar God als mensen God zeggen". En nog: "telkens wij aan God
namen toekennen is het alsof we een doek over God gooien."
"God kun je overal ontmoeten: op straat, in de kerk en in de
stal". "Het hoogste dat je van God kan zeggen is over Hem
zwijgen." Zwijgen omdat de taal haar grens bereikt en slechts
indirect de overkant nog kan oproepen. Eckhart neemt niet aan zoals
Thomas dat er twee realiteiten zijn, een goddelijke en een menselijke,
waartussen een relatie bestaat. Tegenover de analogia entis plaatst hij
de analogia proportionalis: de werkelijkheid is God (‘esse est Deus’).
De goedheid van mensen is God, de liefde, de rechtvaardigheid, enz. dat
is God. Dat lijkt op pantheïsme maar in veel teksten toont hij aan dat
dit niet zo is. Er is alleen een verschil van proportie: de ene
werkelijkheid heeft meer vermogen om de Godheid te ontvangen en door te
geven.
Fundamenteel is deze mystiek één groot verzet tegen
alle vormen van voorstellende denken en de beheersing die daarvan
uitgaat. Eckhart wil het diepere zelf van de mens beroeren en het zo
leren af te stemmen op de goddelijke werkelijkheid. Zo kan de Godheid op
een unieke wijze verschijnen in het hart van elk mens, want tenslotte
zeggen we toch dat ieder mens de tempel van God is.
Besluit
Ons vertrekpunt was de vaststelling dat ons Godsbeeld
meestal gedomineerd wordt door allerlei psychische mechanismen en dat het
belangrijk is zich daarvan bewust te worden om zo tot uitzuivering te komen.
Dat is belangrijk voor ieder persoonlijk, maar zeker ook voor elke predikant
die bewust of onbewust aan anderen een bepaald beeld doorgeeft.
Naast deze psychologische factoren spelen andere,
belangrijke elementen een rol, die te maken hebben met de geschiedenis van
onze godsdienst zoals terug te vinden is in de Bijbel, en met de
geschiedenis van het westerse denken.
De mens is in zijn omgang met de werkelijkheid meestal en
voor de hand liggend een voorstellend en projecterend wezen. Het is
verbonden met een primaire behoefte tot contact en het is later een houding
om te overleven en macht over de werkelijkheid te krijgen. In de voorbije
tijd heeft dit geleid tot een grote geloofscrisis. Toen mensen zich bewust
werden van hun eigen projecties en wat hen door de kerk in dat opzicht werd
voorgehouden, haakten ze af. De nieuwe Bijbelstudie had dit moeten oplossen,
maar voor velen was de breuk reeds voltrokken. Waarom?
Die geloofscrisis kwam er tegelijk met een crisis in het
westerse denken. Men werd zich bewust van een te koele, rationele benadering
van de werkelijkheid, die wetenschappelijk gezien voor wonderen zorgde, maar
emotioneel de mens in een leegte achter liet. Het voorstellende denken werd
tot wetenschappelijk onderzoek van de werkelijkheid waar de persoon buiten
staat. En het onderzoek gaf aanleiding tot technische beheersing. Daardoor
kon men veel kwalen uit de wereld bannen. Maar op een bepaald punt gaat men
beseffen hoe eenzaam die mens wordt als staande tegenover de wereld van
objecten. Er groeide daarom behoefte naar een nieuwe verbondenheid, iets
waar de hedendaagse wijsbegeerte sterk door is gefascineerd. Ook in de
spiritualiteit heeft dit tot een crisis geleid waarbij men zich bewust werd
hoe allerlei Godsbeelden verbonden zijn met een voorstellend denken. Vandaar
de noodzaak om tot een omkering te komen en aandacht te geven aan die
momenten waar niet wij over God spreken, maar een ruimte wordt gecreëerd
waarin God in zijn anders zijn kan verschijnen.
Marcel Braekers o.p.
 |