Dominicaanse familie Vlaanderen

     
Over Godsvoorstellingen

Inleiding

Toen ik enkele dagen geleden met mijn jonge hond terug van onze boswandeling kwam, sprak mijn buurvrouw mij aan. "Je hebt een bange hond, denk ik, want elke keer dat een politie- of ziekenwagen met loeiende sirene voorbij komt begint ze te huilen." Maar het is met honden zoals met kleine kinderen: alleen de ouders of het baasje mogen een negatief woord zeggen, want anders is de krenking te groot. Bang is mijn hond zeker niet. Een beetje meer bescheidenheid zou haar zelfs sieren. Mijn vroegere Groenendaler begon altijd te huilen bij de eerste klokslag van de kerkklok van de jezuïeten. Daar zouden eventueel nog andere motieven zoals rivaliteit kunnen meespelen. Ethologen, die hondengedrag bestuderen, hebben heel andere verklaringen. De eerste, minst waarschijnlijke is dat dit geluid pijnlijk voor hun oren is en ze daarom janken. Een tweede veel waarschijnlijker verklaring is dat dit hoge geluid lijkt op het gehuil van de roedel, waarop zij dan antwoorden. De interpretatie van mijn buurvrouw was dus waarschijnlijk een projectie van haar eigen gevoel bij het horen van een sirene. Misschien denkt ze dat er een ongeval is gebeurd of iemand in gevaar verkeert en wordt ze bang.

Haar interpretatie van het hondengedrag is niet zo ongewoon, want veel meer dan we zelf weten interpreteren we allerlei gebeurtenissen vanuit gevoelens die ons bezig houden of die we maar niet verwerkt krijgen. Ik had een hele tijd een jonge vrouw in begeleiding, die elke keer dat ze mij een hand gaf, vroeg of ze mij geen pijn had gedaan. Haar handdruk was heel normaal, maar wat daarna allemaal aan pijn en kwaadheid opkwam en wat ze mij daarbij soms naar het hoofd slingerde was andere koek. We projecteren dikwijls en wel het meest als we op domeinen komen waar er geen zintuiglijke correctie mogelijk is of domeinen die een diep gevoel raken.

Religie en godsdienst horen daarbij, zoals ook de kunst. Op zichzelf is dat niet erg. Meestal beginnen belangrijke ervaringen met projectie, denk maar aan de verliefdheid. De kunst is tijdig in te zien wat we in de ander projecteren om zo door uitzuivering dichter te komen bij wie die ander is en wat ons werkelijk raakt. Datzelfde geldt voor de godsdienst en de manier waarop wij geloven. Vraag je aan kinderen hoe ze zich God voorstellen, dan spreken ze meestal over een oude man, liefst met een lange baard en mantel, een beetje zoals figuren uit hun sprookjesverhalen. Is dat fout of lachwekkend? Helemaal niet, het past in hun magische, sprookjesachtige wereld. Vraag is wat er gebeurt eens we ontdekken dat we projecteerden. De geloofscrisis op vandaag heeft veel met die schok te maken.

  1. Parabel van de talenten Matteüs 25,14–29
  2. Heer ik wist van u dat u streng bent, dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogsta waar u niet hebt geplant, en uit angst besloot ik uw talent te begraven; alstublieft, hier hebt u het terug. (24-25)

    Deze parabel laat op een schrijnende manier zien hoe een bepaalde godsvoorstelling zodanig kan inwerken dat mensen zich verlamd voelen in hun creatieve mogelijkheden.

  3. Een voorbeeld uit Rizutto ‘ The bird of the living God’
  4. Fiorella Domenico is een vrouw van einde 50 jaar die verwezen wordt wegens te hoge bloeddruk, hyperventilatie met allerlei angsten. Ze is een vrouw van Italiaanse afkomst, levend in de Italiaanse kolonie van een Amerikaanse stad. De angsten namen fel toe na het huwelijk van het jongste kind en een crisisnacht waarin haar man leed aan hevige pijnen wegens nierstenen. Vanaf dan vreest ze altijd haar man te zullen verliezen. Ze krijgt claustrofobie, durft niet meer in een grote groep zijn. Tot dan ging ze dagelijks naar de mis, maar geleidelijk laat ze dit vanwege haar angst. In die periode ontdekt haar man haar bewusteloos, de geneesheer kon enkel een verhoogde bloeddruk vaststellen. In diezelfde periode stierven verschillende familieleden. Patiënte vreest alleen thuis te zijn, krijgt dan angstaanvallen die ophouden als haar man thuis is. Uiteindelijk moet ze voor behandeling opgenomen worden in de PAAZ-afdeling van het ziekenhuis. Daar is ze direct heel rustig en vindt iedereen haar een vriendelijke, aantrekkelijke vrouw. Twee keer raakt ze in paniek: als de therapeut een gesprek met haar heeft over haar vader, en een andere keer als medepatiënten vragen stellen over haar vader.

    Fiorella Domenico was 2de kind van Italiaanse migranten die met enkele families in een kleine stad van New England gingen wonen. Vader was het onbetwiste hoofd van de familie. Ze ervaarde hem als rustig, vriendelijk hard werkend. Moeder was de strenge waar de kinderen bang van waren en aan wie ze nooit hun gevoelens toonden. Hoewel ze van haar kinderen hield kon ze haar affectie niet tonen. In haar puberteit begon patiënte zich op te maken met schmink en haar haar te verzorgen. Ze wil schoenen met hoge hakken, wat niet wordt toegestaan. Stiekem gaat ze werken en koopt van het geld toch die schoenen. Vader was zo boos dat hij haar voor het eerst (en enige keer) sloeg.

    Op 18 jaar zocht het gezin voor haar een geschikte partner. Patiënte is er tevreden mee en wordt verliefd. Ze huwt, krijgt 2 kinderen en woont met haar man in zijn geboortestad, ver van haar familie. Gedurende 20 jaar is ze heel gelukkig en geeft ze alle aandacht aan haar gezin. Op 38 jaar sterft haar vader van een beroerte, 2 jaar later sterft ook de moeder. Vanaf dan begonnen de depressies. Vanaf 50 jaar begonnen angsten en fobieën volop.

    Welke voorstelling had ze van God?
    Voor haar was God een composiet beeld met vaderlijke en moederlijke trekken. God is tegelijk boven alles verheven, de heersende en almachtige maar ook de beschermer van zijn kinderen. Een nauwkeurige vergelijking toont aan hoe er een parallel is tussen haar beeld van God en dat van haar vader. Zoals vader voor haar de positieve, de beschermer was, zo beleefde ze ook God. Anderzijds had ze verdrongen negatieve gevoelens t.o.v. haar moeder die ook in haar beeld van God terugkwam, maar slechts op de achtergrond: God als de straffende, God die vrees inboezemt.

    Voor haar was God altijd de liefdevolle, bekommerde, en deze ervaring had ze vanaf ± haar 7 jaar (de periode waarin ze zich ook duidelijk meer aan haar vader ging hechten). God was zo een idealisering van haar oedipale verbondenheid. Geloven ging zo deze oedipale structuur versterken. De leefregels van het gezin ging ze als een braaf, voorbeeldig meisje interioriseren en gaven haar zo de nodige affectie. Daarvoor moest ze ook een prijs betalen: haar opstandigheid, het zoeken van een eigen seksuele identiteit en een zelfgekozen partner werden onderdrukt.

    God was een uitvergrote idealisatie van haar vaderbeeld en superego. Daardoor kon het niet anders dan dat haar relatie met God ging stagneren. Ze maakte nooit een geloofscrisis door waarbij twijfel en ongeloof een plaats konden krijgen. Ook haar religieus ontwikkelingsproces maakte geen echte evolutie door vb. via kunst, de natuur of het bevragen van haar Godsbeeld. Haar God bleef een huis-God met eenvoudige, menselijke kenmerken. Tegelijk was een echte intimiteit met die God (zoals vb. in de mystiek) niet mogelijk en verboden (als een sooirt incest). Daarom kon haar geloof haar niet van angst genezen. Ze bleef strak zoeken naar bescherming en kon zo nooit opstandig zijn. Evenmin als ze ooit protesteerde t.o.v. haar partner. Later zou niet God beangstigend zijn maar de kerk.

     

  5. Godsvoorstelling als projectie (S. Freud)

Geloof groeit via de volwassenen en het beeld dat zij bij kinderen oproepen door hun voorbeeld en door de verhalen, die ze vertellen. Het is daarom voor de hand liggend dat kinderen zich een beeld van God vormen naar het model en de dromen (of het ik-ideaal) van die volwassenen. Geleidelijk zal een kind via ervaring en later via lectuur en reflectie verfijning in dit beeld aanbrengen, het eventueel verwerpen samen met heel de godsdienst of komen tot het loslaten van elke voorstelling. Wat een kind tegenover zijn ouders doet, zal het ook tegenover God doen. Hoe verloopt echter zo’n proces? Volgens Freud spelen twee mechanismen, die tot projectie voeren, een belangrijke rol: de idealisatie en de verdringing en terugkeer van dat verdrongene.

  • Kinderen hebben vanaf een bepaalde fase de neiging om belangrijke figuren te idealiseren. Een jongen die zijn vader idealiseert komt zo los van de moederfiguur en de relaties van gemakkelijke nabijheid, hij leert naar de toekomst te kijken en wil als zijn vader worden. Hij idealiseert zijn vader waarbij hij voor hem negatieve aspecten wegduwt en een aantal andere van hem overneemt. Door de idealisatie vergroot hij kwaliteiten en relatiepatronen van die vader waardoor hij andere gevoelens zoals dreiging, angst en schuld niet hoeft te voelen. Zo ontstaat het geweten. Het is vermoedelijk iets dat vanaf de geboorte in potentie aanwezig is (cfr. Klein en Winnicott) en dat nu groeit tot een innerlijk systeem van idealen en normen. (Hetzelfde geldt ook voor het meisje zij het op een wat andere manier).

Dit proces speelt in de religieuze ontwikkeling een belangrijke rol. Men gaat zich God voorstellen volgens het model van de geïdealiseerde ander. God wordt een soort van supermens waarbij we Hem allerlei menselijke kwaliteiten op een uitvergrote manier toekennen. God is dan oneindig goed, eindeloos geduldig, rechtvaardig en liefdevol, enz. Daardoor komt men op een bepaald ogenblik voor problemen zoals: hoe kan het lijden blijven bestaan als God almachtig is? Hoe kan iemand voor eeuwig gestraft worden als God eindeloos goed is, enz. Bij zo’n vragen botsen volwassen, kritische vragen met kinderlijke voorstellingen. Aristofanes zei reeds dat indien de mensen vogels waren God zeker een vogelkop zou hebben. Kinderen stellen zich God voor als een oude man met een lange baard.

Vergote deed onderzoek bij volwassenen en merkte dat men aan God zowel vaderlijke als moederlijk kenmerken toekende en daarbij de meest typische op een uitvergrote manier. Projectie vanuit idealisatie zit ons m.a.w. ingebakken en komt in elke fase van het leven terug. Ze veroorzaakt ook op een bepaald ogenblik een geloofscrisis. Naar mijn aanvoelen komt die crisis al vroeg bij kinderen van ongeveer 10 jaar, omdat ze tegelijk nog in een magische wereld willen leven én tegelijk heel rationeel over de werkelijkheid kunnen denken. Veel catechisten zijn niet opgeleid om op dat ogenblik op een gepaste manier te reageren.

Door dit type projectie maken we een scherpe tegenstelling tussen Gods wereld en onze wereld en gaan we die wereld zelfs in sommige gevallen verachten. Thomas van Aquino bouwde op dit mechanisme zijn analogieleer op. Volgens Thomas krijgen we via het ondervinden van goedheid met anderen een vermoeden van Gods goedheid. Geloven en geloofsvoorstellingen groeien zo vanuit ervaring. Thomas neemt aan dat er twee werelden zijn, de goddelijke en de menselijke, en dat tussen die twee een analogisch verband is (de analogia entis). Eerst maken we spontaan de sprong van menselijke ervaring naar religieuze ervaring (via positiva), daarna ontdekken we dat onze religieuze wereld zo al te menselijk is en ontstaat een kritische afstand (via negativa) om uiteindelijk tot het besef te komen dat God wel goed is, maar dat zijn goedheid van een heel andere inhoud is dan de menselijke (via eminentiae). Het gevaar bij deze theologie is dat men binnen de totalisering blijft en men God in het verlengde van de eigen fantasie gaat zien als hoogste Zijnde, die heer is van alle zijnden, de eerste oorzaak van al wat is, die de wereld vanuit het niets in 7 dagen schiep, die alles in handen houdt en op het einde de mens voor zijn troon daagt. Terecht is in de hedendaagse wijsbegeerte kritiek gekomen op deze voorstelling, omdat men de radicale andersheid van God niet ziet. God als de totaal Andere is niet via ervaring te vatten. Er zijn enkel maar belangrijke situaties waarin Hij aan het licht komt.

  • Een tweede vorm van projectie bestaat erin dat men gevoelens, die niet te verdragen of te verwerken zijn, verdringt en dat die via een omweg terugkeren naar onze voorstellingen. Wij hebben allemaal te worstelen met gevoelens van onveiligheid, van schaamte en schuld, van rivaliteit en achterdocht. Aangezien wij die op heel jonge leeftijd doormaken, op een ogenblik dat het Ik nog zwak is, is het nodig dat we ze verdringen om te kunnen overleven. Wat werd verdrongen is echter niet weg, maar keert via een omweg terug, vb. door ze op God te projecteren. God wordt dan een strenge rechter, die ons beschuldigt zelfs van dingen waar ons geen schuld treft. Voor Hem voelen we ons naakt zoals Adam en Eva. Hij straft ons met ziekte, lijden en dood. Ook al menen we recht in onze schoenen te staan, dan is er wellicht nog een fout die we over het hoofd zagen. Heel het OT is doordrongen van allerlei projecties van dit kaliber.

In de psychoanalyse maakt men daarbij nog een onderscheid tussen de bewuste projectie, die men echter niet kan stoppen en de projectie die altijd onbewust blijft (wat Melanie Klein de projectieve identificatie noemde). Mensen zijn zich dikwijls bewust hoe (al of niet overdreven) schuldgevoel hen achtervolgt en hun geloof vertekent, maar ze kunnen het gevoel niet stoppen (cfr. Julien Green in zijn romans zoals Moira, sommige gedichten van Michiel Vander Plas). Veel gelovigen van een vroegere generatie blijven ondanks alle catechese met deze gevoelens zitten, omdat ze in hun kinderjaren er zoveel angst bij hebben gevoeld. Hardnekkiger en beklemmender zijn gevoelens, die men onbewust afsplits om ze via de ander te kunnen controleren. In de therapie zijn het de meest hardnekkige en moeilijkst te genezen gevoelens. De persoon is te zwak om ze in zichzelf te herkennen en duwt ze naar de ander. Men voelt zich door God achtervolgd, beschuldigd, vernederd. Men zoekt rusteloos om zijn toorn af te wenden en leeft in de verschrikkelijk angst van dood en verdoemenis. Luther had zo’n verschrikkelijk vadercomplex dat hij tijdens een zwaar onweer beloofde om kloosterling te worden als hij uit dit gevaar zou worden gered. Later werd hij zo door schuldgevoel gekweld dat hij voor de woorden van de consecratie te kunnen uitspreken nog even zijn biecht uitsprak. Luther overwon dit verpletterend gevoel door lange gesprekken met zijn overste en het theologische inzicht dat enkel de onverdiende genade van God een mens kan redden (de sola gratia).

  1. Godsbeelden vanuit de hechtingstheorie van Bowlby

Bowlby deed veel onderzoek naar de eerste contacten tussen een moeder en haar baby en kwam tot de vaststelling dat er grosso modo 4 belangrijke hechtingstypen zijn, die niet alleen in de eerste maanden zich voordoen, maar daarna vrij constant het leven blijven beheersen. Bowlby sprak over het loslaten van de moederfiguur als een rouwproces, vandaar dat men in de nieuwe literatuur over rouwen en rouwtherapie deze vanuit de vroegere hechting gaat bezien. Vanuit elk van deze hechtingstypen ontwerpen mensen ook een eigen Godsbeeld dat antwoord biedt op de noden waarmee ze bleven zitten. Er is de normale, volwassen hechting, de angstige, de vermijdende en de gedesorganiseerde hechting.

  • Bij een veilige hechting kunnen kinderen een korte scheiding van de moeder goed verdragen. Ze voelen zich voldoende geborgen om de opkomende angst en verdriet te verwerken en reageren positief als de moeder terugkomt. Dit type zal als volwassene bij verlies van een geliefde zich veilig genoeg gehecht weten om te kunnen rekenen op anderen. Men kan evenwichtig praten over het verlies en voelt de troostende nabijheid van anderen. Soms heeft dit type een teveel aan bescherming ondervonden en mist men weerbaarheid om de hardheid van het verlies op zich te nemen. Men ontwikkelt een Godsbeeld waarbij men tegelijk steunt op de troost van het geloof, maar ook op de nabijheid van God via mensen. Afstand en nabijheid, verbondenheid en kritische bevraging kunnen tezamen bestaan.
  • Bij een angstige hechting gaat het meestal om overbezorgde ouders, die teveel vanuit eigen angsten reageren waardoor ze hun kinderen niet aanmoedigen eigen gevoelens te exploreren en alleen maar willen beschermen. Bij scheiding van de moeder klampen deze kinderen zich aan haar vast en beginnen ze bij haar terugkeer heftig te wenen. Deze kinderen scoren laag in zelfvertrouwen en hoog in het vertrouwen in anderen. Wanneer zij als volwassenen met verlies worden geconfronteerd blijven ze in een langdurige rouw vast zitten met veel eenzaamheid en de neiging zich aan anderen vast te klampen. Men kan of wil niet vertrouwen op de eigen verwerkingsmogelijkheden. Dit type mensen heeft als volwassene een kinderlijk geloof behouden waarbij ook de angstige behoefte aan bescherming domineert. God kan men enkel maar zien als de almachtige, beschermende Vader. Men wordt boos op degenen die anders geloven of die in de verkondiging kritische vragen stellen. Voor de medegelovigen, die dicht bij hen staan en toch verschillend zijn vormen de sterkste bedreiging voor hun behoefte aan veiligheid. Men wil absoluut trouw blijven aan de paus en alle kerkelijke autoriteiten en neigt naar fundamentalisme.
  • Bij een vermijdende hechting gaat het om ouders die de hechting van hun kind afwijzen en daardoor vermijdend gedrag bij het kind opwekken. Deze ouders verdragen de hechting niet en straffen die bewust of onbewust af. Als de moeder na afwezigheid terugkeert reageren deze kinderen onverschillig. Ze leren hun gevoelens minimaliseren waardoor ze heel onafhankelijk en assertief zijn in relaties. In geval van rouw blijft alle gevoel van binnen. Men is van oordeel dat men niet op anderen kan rekenen (want ze laten je toch in de steek). Vandaar de neiging tot zelfcontrole en probleemoplossend gedrag. Ook in zijn Godsvoorstelling houdt men het eerder bij een koele afstandelijke God. Godsdienst is enkel maatschappelijk engagement, elke overgave wordt gewantrouwd. Kinderlijke vroomheid of getuigenissen van een mystieke Godservaring beziet men met cynisme.
  • In geval van gedesoriënterende hechting gaat het om ouders die tegelijk bron van angst en van veiligheid zijn waardoor het kind zich geklemd voelt tussen toenaderen en vermijden. Een typisch geval is wanneer de moeder een postnatale depressie doormaakte waardoor ze naar het kind verwerpend is (althans in zijn beleving) en toch moeder wil zijn. Ook in een aantal gevallen van mishandeling hebben kinderen onvoorspelbare momenten van aantrekken en afstoten doorgemaakt. Daardoor ontwikkelt het kind een gedesoriënteerd gedrag. Bij een korte scheiding reageert het eerst afwijzend ofwel toenaderend maar dan plots bevriesend, eventueel gaat het zichzelf pijn doen. Als volwassene mist men vertrouwen en zelfvertrouwen. Verliest men een geliefde dan wordt men angstig, paniekerig, depressief met neiging tot alcoholmisbruik en eventueel gevaar voor suïcide. In veel gevallen zitten ouders van dit type zelf met een onverwerkte rouw. Ook in zijn relatie met God speelt de desoriëntatie een belangrijke rol. Geloof in God is nu eens een weldaad, dan weer een bron van veroordeling en verlatenheid. Men is steeds op zoek naar God, maar vreest tot overgave te komen.

Besluit

Alle voorstellingen van God zijn menselijke voorstellingen, gegroeid via opvoeding, onderricht, lectuur en ervaring. Ze zeggen echter meer over de mens dan over God. Indien God echter de totaal Andere is, indien alles wat van de mens is niet op Hem van toepassing is hoe dan over Hem te spreken? Spelen ook andere factoren dan psychologische in deze voorstellingsdrang?

  • Bijbelse factor: in de al te menselijke voorstelling van God speelt ook de Bijbel een belangrijke rol. Men leest de Bijbel teveel als een boek waarvan elk woord goddelijke openbaring zou zijn. De Bijbel is volgens mij de neerslag van een zoekproces waarbij mensen zich geleidelijk leerden ontdoen van allerlei mythische voorstellingen van God en zo door uitzuivering steeds dichter kwamen bijwie die God eigenlijk is. De oudste teksten ontstonden in een mythische tijd waarin de mensen vanuit hun mythische ingesteldheid aan die God allerlei magische krachten toekenden. De toornige God, die zich via andere volkeren op zijn volk wreekt omwille van hun ontrouw. De mythische god, die het offer van zijn meest geliefde kind wilde om zo de zonden van de wereld weg te nemen (en de kerk die nog altijd spreekt over het onbloedige offer van de eucharistie). De wereld die in 7 dagen werd geschapen. Het bestaan van een hemel, hel en vagevuur. De mens die erfelijk besmet is met een zonde. De voorstelling van de geboorte, de verrijzenis, hemelvaart van Jezus, het neerdalen van de Geest. Dat alles zijn mythische voorstellingen, die in botsing komen met ons rationeel mens- en wereldbeeld. Je mag die verhalen niet afwijzen. Of zoals Bultmann wilde hen vertalen in de filosofische begrippen van deze tijd, want dan verarmen we onze traditie. Maar wel moeten we al deze verhalen lezen vanuit de context waarin ze werden verteld.
  • Een tweede belangrijke factor in onze godsvoorstelling is de door eeuwen gegroeide tendens in het westen om zich van alles een voorstelling te maken om zo na te gaan hoe de werkelijkheid in elkaar steekt en hoe we haar kunnen manipuleren. Zo gaat de wetenschap tewerk. Belangrijke filosofen zoals M. Heidegger e.a. tonen aan hoe in het westen de mens steeds duidelijker zichzelf tegenover de werkelijkheid ging plaatsen en zo een subject werd tegenover een wereld van objecten. Daardoor is het westerse denken in wezen een voorstellend denken geworden en gingen we die voorstellingen in begrippen vatten. Zonder te beseffen zitten we daarmee in een gesloten en verarmde wereld waarbij de mens boven of buiten die werkelijkheid staat. Ook de spiritualiteit en de theologie is beïnvloed door deze tendens. Geloven werd gevat in een geloofsleer, de theologie ging zich gedragen alsof ze een particulier venstertje had op God en het goddelijke. Tegen deze rationele ingesteldheid moeten wij vandaag stelling nemen en haar trachten te doorbreken.

Een omkeer is mogelijk als we de vraag omkeren en ons niet afvragen wie God is, hoe wij ons Hem kunnen voorstellen, maar waar en hoe Hij in de wereld kan verschijnen. "Deze omkering is zoiets als een Copernicaanse revolutie waarbij we afzien van een beheersende, ‘wetende’ houding, maar ons beschikbaar stellen voor iets dat ons overstijgt. Ou est le lieu natal de Dieu" vroeg A. Gesché zich af in zijn boekje Dieu.

Naar mijn oordeel zijn er 4 belangrijke momenten waarin Gods anders zijn in onze eigenheid kan binnentreden: via de Bijbelse verhalen, in de persoon van Jezus van Nazareth, in de rituele en symbolische handelingen en in de diepte van elk van ons (het diepere zelf als tempel van God).

  1. Hoe God wel ter sprake brengen?
    1. Jezus als ikoon van God
    2. In zijn boek Dieu sans l’être maakt de Franse filosoof J.L. Marion een onderscheid tussen idool en ikoon. Idool is een verstold beeld waarbij de werkelijkheid haar werkend karakter verliest, maar als versteend en gefixeerd bestaat in onze geest. Op die manier kunnen we de werkelijkheid beheersen en manipuleren. Een ikoon is de zichtbaarwording waarbij niet ik kijk en spreek, maar de ander mij ziet of toespreekt. In de theologie noemt men Jezus tegenwoordig dikwijls de ikoon van God. De evangeliën staan vol van verhalen over de manier waarop de aardse Jezus met anderen omging en in die omgang God aanwezig stelde. Na zijn dood ging deze ervaring verder in de Geest-ervaring. Na de dood gingen de leerlingen zo met elkaar om dat Gods kracht tastbaar onder hen was. Zo kan ook nu de gemeenschap van gelovigen zodanig met elkaar omgaan dat zij ikoon van God is, omdat de Geestkracht van Jezus werkzaam blijft. In plaats van te vertrekken vanuit theologische definities dat Jezus zoon van God is, tweede persoon van de drievuldigheid, enz. en men vanuit deze omschrijving tot een geloofshouding moet komen, moet men de zaak omkeren. Het gaat om het ongrijpbare verschijnen van zijn kracht en inspiratie, en wat dat teweeg brengt zullen gelovigen vanuit een nieuw denkkader anders gaan benoemen. Misschien is dat kader zelfs overbodig.

    3. God als verhaal
    4. In het verlengde van het voorgaande kan men zeggen dat God zich in de Bijbel steeds openbaarde in concrete geschiedenissen: de geschiedenis van zijn volk en de persoonlijke verhalen van enkelingen. Heilshistorisch gezien geloven we dat het Joodse volk eerst in slavernij leefde en slechts de moed had om te vluchten vanwege de zelfopenbaring van God als de Mee-trekkende. Vanwege die ervaring durfde men de Uittocht aan waardoor Gods uitspraak ‘Ik ben die er zal zijn’ werd bekrachtigd. Hetzelfde gebeurde met enkelingen. Schillebeeckx sprak over contrastervaringen waarbij men in het protest een eerste ervaring van geloof had. Naar mijn gevoel waren ook heel positieve ervaringen aanzet om God aanwezig te weten.

      Telkens werd een verband gelegd tussen historische gebeurtenissen en het verschijnen van de Oneindige. God en de relatie met Hem kwam niet zomaar tot stand maar als verhaal. Het is daarom belangrijk dat wij ook in de verkondiging verhalen vertellen. Op die manier vermijdt men te spreken in metafysische en dogmatische bewoording. Alle belangrijke begrippen in de theologie (transsubstantiatie, natuur en persoon, genade, ziel) zijn gegroeid in een filosofisch denken dat helemaal achterhaald is. Het vertellen van verhalen in de verkondiging heeft vele voordelen. Verhalen zijn concreet en beperkt. Zij laten zien dat geloven ook te maken heeft met toeval, met historische beperktheid van plaats en tijd. Daarbij heeft een Godservaring tijd nodig om door te dringen en opnieuw ervaring te worden, zoals een verhaal ook zijn tijd neemt. En tenslotte laat men door te vertellen aan de ander de ruimte om bij zichzelf stil te staan en zijn eigen verhaal tot actualiteit te worden.

    5. De weg van de ritus en de symbolen
    6. Wij roepen Gods anders zijn op in het voltrekken van de ritus en het omgaan met symbolen. Zoals er een grondig verschil is tussen idool en ikoon is er een verschil tussen teken en symbool. Een teken heeft een louter verwijzend karakter, weg van zichzelf (vb. een handwijzer). Het steunt op gemaakte afspraken (stoppen bij rood licht). Het heeft een functioneel karakter en neemt onze psychische energie niet op. Een symbool is ook verwijzend, maar stelt aanwezig waarnaar het verwijst. Vb. brood geeft leven en kracht. Het brood verwijst in de eucharistie naar Jezus als bron van leven voor onze ziel. Door met de aardse betekenis om te gaan (het breken) openen wij een venster naar het transcendente. Dikwijls menen mensen dat iets ‘maar’ symbolisch is als zou het om een minderwaardig iets gaan (zoals verhalen ‘echt’ moeten zijn gebeurd willen ze betekenis hebben). Een symbolische werkelijkheid is echter een ‘superwerkelijkheid’ door haar werkend karakter. Ze kan de menselijke energie opnemen en op een ander niveau brengen. Een symbool roept die andere werkelijkheid wel op, maar zonder haar te benoemen en te beheersen. Door haar verwijzing maakt ze het verlangen van gelovigen wakker. Zeggen dat Jezus op symbolische wijze aanwezig is in de eucharistie is dus helemaal niet minderwaardig. Een symbool vindt men niet uit. Zoals Vergote aantoonde geeft zich een symbool. Vanuit een onachterhaalbare werkelijkheid komt het aan het licht. Boven de symbolische realiteit is er ook geen rationele werkelijkheid die haar kan beheersen. Vandaar dat men bij duiding van een sacramentele handeling heel gereserveerd moet zijn om de symbolische kracht niet te vernietigen.

      Meestal zijn symbolen vervat in een ritueel dat verbonden is met de belangrijke momenten van het leven. Rituele daden zijn performatieve daden (‘ik doop je’, ‘ik vergeef je’ ‘wij breken’) waarbij mensen zich afstemmen op een goddelijke werkelijkheid die aan het licht wil komen. In het rituele en sacramentele wordt ons totale lichaam aangesproken en maakt het zich gereed om goddelijke kracht te ontvangen.

    7. De weg van de negatie

Tenslotte kan God ook verschijnen in de diepte van ons zelf. Degene die dit het best voor mij heeft verhelderd is Meister Eckhart. Volgens hem bestaat de mens uit drie delen: de lagere krachten, de hogere en ons diepere zelf. Met de lagere krachten veroveren we de werkelijkheid. Rationaliteit, de drang tot zelfontplooiing en de begeerte zijn drie aspecten waardoor we onszelf centraal stellen. Daarnaast beschikken we ook over hogere krachten, die ons in staat stellen om op een wederkerige manier met de werkelijkheid om te gaan (de memoria, intellectus en voluntas). Het is een belangrijke opgave om de lagere krachten in dienst van de hogere te stellen. De originaliteit van Eckhart tegenover de traditie is dat hij spreekt van nog een derde instantie: ons diepere zelf. Dit diepere zelf noemt hij ‘een louter Niets’ of ‘zuivere openheid’. Hij spreekt van een zielenvonk of een woestijn. De grond van de mens is niets dan openheid en ontvankelijkheid. Deze openheid heeft voor hem evident als echte Middeleeuwer enkel met God van doen en vindt enkel in Hem haar rust. Het is daarom een opdracht om zowel de lagere als de hogere krachten in dienst van deze fundamentele openheid te stellen. Op die manier kunnen wij ‘een lege plek zijn’ voor de ander zoals Kopland dichtte. Neem het voorbeeld van de seksualiteit en het verlangen dan willen we vanuit onze lagere krachten de ander begeren en voor onze behoefte gebruiken, maar vanuit de hogere krachten willen we tot een wederkerige liefde en bejegening komen. Volgens Eckhart is het echter nog belangrijker oog te hebben voor iets dat aan liefde voorafgaat, de openheid en ontvankelijke aandacht waarbinnen liefde tot stand komt. Lege plek voor elkaar zijn waarin de ander zich kan tonen zoals die zelf wil zijn.

Door in te treden in dit Niets of loutere openheid stoppen wij ook het proces om de werkelijkheid voor ons op te eisen en geven we die terug aan zichzelf. De wereld waarin alles volgens model van subject en object wordt benoemd houdt zo op. Zo komt er ruimte waarin die werkelijkheid zich kan tonen zoals zij dat zelf wil, dus niet ingepast in mijn behoeften. Datzelfde geldt ook tegenover God. Door in te treden in die openheid houden we op God te benaderen volgens eigen beelden en voorstellingen en kan God verschijnen zoals Hij zelf wil. Wij moeten God omwille van God loslaten. Die God voorbij de beelden noemt Eckhart de Godheid. En hij zegt dat er tussen God en Godheid een afstand is als tussen hemel en aarde. Alles wat we dus tot hiertoe van God hebben ervaren en geleerd is slechts het portaal om de kerk binnen te gaan. De echte mystieke Godservaring komt tot stand als het menselijke Niets en het Goddelijke Niets in elkaar vervloeien. (Niets is hier niet niets, maar een gebeuren van onnoembare positiviteit).

Eckhart zegt daarom in een preek; "God wordt maar God als mensen God zeggen". En nog: "telkens wij aan God namen toekennen is het alsof we een doek over God gooien." "God kun je overal ontmoeten: op straat, in de kerk en in de stal". "Het hoogste dat je van God kan zeggen is over Hem zwijgen." Zwijgen omdat de taal haar grens bereikt en slechts indirect de overkant nog kan oproepen. Eckhart neemt niet aan zoals Thomas dat er twee realiteiten zijn, een goddelijke en een menselijke, waartussen een relatie bestaat. Tegenover de analogia entis plaatst hij de analogia proportionalis: de werkelijkheid is God (‘esse est Deus’). De goedheid van mensen is God, de liefde, de rechtvaardigheid, enz. dat is God. Dat lijkt op pantheïsme maar in veel teksten toont hij aan dat dit niet zo is. Er is alleen een verschil van proportie: de ene werkelijkheid heeft meer vermogen om de Godheid te ontvangen en door te geven.

Fundamenteel is deze mystiek één groot verzet tegen alle vormen van voorstellende denken en de beheersing die daarvan uitgaat. Eckhart wil het diepere zelf van de mens beroeren en het zo leren af te stemmen op de goddelijke werkelijkheid. Zo kan de Godheid op een unieke wijze verschijnen in het hart van elk mens, want tenslotte zeggen we toch dat ieder mens de tempel van God is.

Besluit

Ons vertrekpunt was de vaststelling dat ons Godsbeeld meestal gedomineerd wordt door allerlei psychische mechanismen en dat het belangrijk is zich daarvan bewust te worden om zo tot uitzuivering te komen. Dat is belangrijk voor ieder persoonlijk, maar zeker ook voor elke predikant die bewust of onbewust aan anderen een bepaald beeld doorgeeft.

Naast deze psychologische factoren spelen andere, belangrijke elementen een rol, die te maken hebben met de geschiedenis van onze godsdienst zoals terug te vinden is in de Bijbel, en met de geschiedenis van het westerse denken.

De mens is in zijn omgang met de werkelijkheid meestal en voor de hand liggend een voorstellend en projecterend wezen. Het is verbonden met een primaire behoefte tot contact en het is later een houding om te overleven en macht over de werkelijkheid te krijgen. In de voorbije tijd heeft dit geleid tot een grote geloofscrisis. Toen mensen zich bewust werden van hun eigen projecties en wat hen door de kerk in dat opzicht werd voorgehouden, haakten ze af. De nieuwe Bijbelstudie had dit moeten oplossen, maar voor velen was de breuk reeds voltrokken. Waarom?

Die geloofscrisis kwam er tegelijk met een crisis in het westerse denken. Men werd zich bewust van een te koele, rationele benadering van de werkelijkheid, die wetenschappelijk gezien voor wonderen zorgde, maar emotioneel de mens in een leegte achter liet. Het voorstellende denken werd tot wetenschappelijk onderzoek van de werkelijkheid waar de persoon buiten staat. En het onderzoek gaf aanleiding tot technische beheersing. Daardoor kon men veel kwalen uit de wereld bannen. Maar op een bepaald punt gaat men beseffen hoe eenzaam die mens wordt als staande tegenover de wereld van objecten. Er groeide daarom behoefte naar een nieuwe verbondenheid, iets waar de hedendaagse wijsbegeerte sterk door is gefascineerd. Ook in de spiritualiteit heeft dit tot een crisis geleid waarbij men zich bewust werd hoe allerlei Godsbeelden verbonden zijn met een voorstellend denken. Vandaar de noodzaak om tot een omkering te komen en aandacht te geven aan die momenten waar niet wij over God spreken, maar een ruimte wordt gecreëerd waarin God in zijn anders zijn kan verschijnen.

Marcel Braekers o.p.